Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACELTISCH WEEKBLAD

VOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen. Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan-; Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang, zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur franco per post, ƒ 4.50. te Nijmegen, vóór Woensdag. Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ1.—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

N°. 38

©e Jaargang'.

ZONDAG 5 December 1869.

Mededcelingen. Ingezonden slokken. Na de adhaesie-adressen, vermeld inde twee vorige nommers, ontvingen wij nog de volgende: een uit Ylaardingen met 3 handteekeningen; een uit Oude Pekela en Veendam met 3 handteekeningen; een uit ’s Hertogenboseh met 10 handteekeningen; een uit Meppel met o handteekeningen; een uit Gemert met 1 handteekening; een uit Venlo met 5 handteekeningen; een uit Heerenveen met 5 handteekeningen; een uit Bolsward met 6 handteekeningen; een uit Gouda met 7 handteekeningen; een uit Echt (Limburg) met 1 handteekening; een uit Edam met 1 handteekening; een uit Oldenzaal met 1 handteekening; een uit Nijmegen met 11 handteekeningen; een uit Leeuwarden; een uit Hulst met 1 handteekening; een uit Medemhlik met 3 handteekeningen; een uit Eaveustein met 1 handteekening; een uit Middelburg met 14 handteekeningen; een uit St. Anna Parochie met 1 handteekening; een uit Leiden met de handteekeningen van den president en secretaris van het Pharmaceutisch gezelschap Concordia, opgericht in 1823 en erkend door de Stedelijke Regering; een uit Middelstum en Uithuizen met 3 handteekeningen; een uit Brielle met 1 handteekening; een uit Assen met 3 handteekeningen ; een uit Heerlen (Limburg) met 3 handteekeningen; een uit Deventer met 7 handteekeningen; een uit Amsterdam met 43 handteekeningen. Maandag wordt door mij het adres met de 48 adhaesieadressen, bevattende tezamen 819 handteekeningen naar Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche zaken verzonden. Tegelijkertijd zend ik aan de Tweede kamer een afschrift van dit adres met het opschrift: De ondergeteekende heeft de eer U hierbij het afschrift vaneen adres aan te bieden, door hem in gemeenschap met 319 zijner collega’s aan den Minister van Binnenlandsche Zaken gezonden. Yolgt het afschrift. Daaronder plaatsten wij: De Ondergeteekende neemt tevens de vrijheid met den meesten aandrang Uwe aandacht te vestigen op deze aangelegenheid, die niet alleen voor het belang van den pharmaceutischen stand, maar ook voor het algemeen belang van ernstige beteekenis is. Hij vertrouwt, dat de billijkheid van ons verlangen door U zal worden erkend en durft zich derhalve met uwe medewerking vleijen. Wij zeggen onzen collega’s dank voor de ondersteuning, die zij ons gegeven hebben en in het bijzonder hen, die op onderscheidene plaatsen anderen tot mede-

werking hebben aangespoord. Wij betuigen hierbij tevens onze erkentelijkheid voor de welwillende bewoordingen, waarmede onderscheidene toezendingen vergezeld gingen. Van de medegedeelde bijzonderheden omtrent pharmaceutische zaken zullen wij van tijd tot tijd gebruik maken. Aan den collega, die ons opmerkt, dat het zijns inziens beter geweest ware in art. 1 niet van //geneesmiddelen” maar van tot geneeskundig doel bestemde enkelvoudige en samengestelde //stoffen” te spreken, geven wij het volgende in bedenking. Spreekt men in het algemeen van //stoffen”, tot geneeskundig doel bestemd, om eene definitie van geneesmiddel te vermijden, de zaak verbetert er niets door. Dit is ook reeds bij de beraadslagingen over dit artikel inde Tweede Kamer aangevoerd. Hoogst moeilijk is het de grens te bepalen, omdat er weinige zelfstandigheden zijn, die niet hiertoe behooren. Het eenvoudigste voedsel, meel, suiker, Hionig, wat al niet meer, wordt te zijner tijd als stof tot geneeskundig doel bestemd gebezigd. Wij achten het eene juiste opvatting, dat in onze wet geene definitie van geneesmiddel evenmin als die van vergift gegeven wordt, maar dat de wetgever bij geneesmiddelen en vergiften beiden op den man af is gegaan en met namen aanwijst, wat hij daaronder begrijpt. Daarom staat art. 1 in verband met art. 80, dewijl in het laatste wordt voorgeschreven, welke stoffen men als geneesmiddelen inden zin der wet te, verstaan hebbe. Nog meent diezelfde collega, dat art. 30 met de redactie, die wij er voor vragen, kan ontdoken worden, dewijl er dagelijks nieuwe geneesmiddelen inde wereld komen ten gevolge der onderzoekingen op scheikundig gebied, en dus deze niet op de ministerieele lijst voorkomen. Hij zou het beter achten dat van de lijst gezwegen wordt, of wel dat er een artikel wordt bijgevoegd, luidende, dat bij iedere vergadering van de geneeskundige raden de lijst der geneesmiddelen wordt gecompleteerd, waardoor eene heilzame beduchtheid bij de verkoopers zou geboren worden. De lijst is bepaald noodig bij artikel 80. Zij maakt er het essentieele bestanddeel vanuit , en de desnoodige uitbreiding der lijst door den Minister blijft immers volgens de redactie van het artikel steeds mogelijk, wanneer deskundigen daarover gehoord zijn. Maar deze uitbreiding moet van één hoofd uitgaan en niet van verschillende corporatiën. Naar wij vernemen is er dooreen leverancier van geheimmiddelen een contra-adres opgemaakt om aan den Minister te worden ingezonden, met verzoek geen gevolg

Sluiten