is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 7, 1870-1871, no 38, 15-01-1871

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACELTISCH WEEKBLAD

YOOE NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. i. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhandelaar D. B. CENTEN te Amsterdam, Prijs per Jaargang, franco per post,/ 4.50.

Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur te Nijmegen vóór Woensdag.

Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒl. , elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

ïe Jaargang,

ZONDAG 15 Jannari 1871.

M°. 88.

ïlededeelingen. Ingezonden stukken. BBIEVEN UIT DE HOOFDSTAD. 11. Dat de thans vigeerende geneeskundige wetten, door wetenschappelijke ontwikkeling, de opheffing van den pharmaceutischen stand bedoeld hebben, is voor ieder duidelijk. Inde memorie van toelichting bij Wet IV, regelende de uitoefening der artsenijbereidkunde, drukte de minister Thorbecke, door wien de wetten zijn ingediend , den wensch uit, dat voortaan slechts door voorbereidende studiën genoeg beschaafden, in natuurkundige wetenschappen flink onderwezenen en inde artsenijbereidkunst ervarenen als apothekers zouden worden toegelaten, wat de uitnemende staatsman het afdoende en voor ons land passend middel achtte tot verbetering van den stand der pharmaceuten. De aanneming van de gansche wet, hoezeer dan ook in enkele onderdeelen door wijziging of afstemming jammerlijk ontsierd, heeft toch het zegel op dien wensch gedrukt en de apothekers van Nederland op een bepaald wetenschappelijk standpunt geplaatst. Om dat doel te bereiken, moest er veel gedaan worden. Tal van misbruiken , die onzen stand ontsieren , had de wetgever op het oog en met de beste bedoeling wilde hij deze zooveel doenlijk onmogelijk maken. En nu mag men spreken zooveel men wil, over het nadeel van te grooten ijver in het maken van reglementen en daaruit volgende belemmering van de hoog noodige vrijheid op ieder gebied. Ik acht het overbodig op ons . terrein daarvan te gewagen. De apotheker, qua talis, is noch koopman, noch winkelier inde sociale beteekenis dezer woorden. Plij is wetenschappelijk man, onder toezicht van den staat geroepen tot de vervulling van belangrijke plichten. Dat toezicht kan hem slechts verheffen, nimmer schaden. Het verbiedt den apotheker geheiramiddelen te verkoopen of liever het acht zijne positie te hoog om hem te verlagen tot depóthouder-winkelier van een’ of anderen buitenlandschen speculant. //Maar ieder ander mag ze nu verkoopen en juist wij niet!" hoorde men van vele zijden bij de invoering der wet. Ik heb die wanhoopskreet nooit begrepen. Dat ieder ander geheimmiddelen zou verkoopen, was, naar mijn bescheiden meening, juist den doodslag toebrengen aan alle charlatanerie. De staat verklaart den apotheker uitsluitend bevoegd tot de aflevering van geneesmiddelen en zou het publiek niet eindelijk gaan inzien, dat hetgeen het elders als zoodanig zonder eenige controle koopt, onmo-

gelijk zijn vertrouwen kan verdienen en, wat erger is, leven en gezondheid in gevaar zou kunnen brengen ? Ik ben overtuigd, dat wij met den handel in geheimmiddelen al op een vrij wat beter standpunt zouden staan, zoo de onvergeeflijke handelingen van enkele apothekers-winkeliers dien niet in bescherming hadden genomen en daardoor het groote publiek in dwaling hadden gebracht omtrent de waarde van die honderde arcana, die dagelijks in alle dagbladen tot walging toe worden aangeprezen. De ontwerper onzer wet had, in navolging van elders vigeerende verordeningen, een artikel opgenomen, luidende; //Geneesmiddelen, waarvan de bereiding geheim is, mogen niet voorhanden zijn of afgeleverd worden, tenzij onze Minister van Binnenlandsche zaken daartoe, na erlangde opgaven van de samenstelling en bereiding., e:a na onderzoek van deskundigen, machtiging hebbe verleend. Het onderzoek kan herhaald en de machtiging, zoodra van verandering inde samenstelling of van misbruik blijkt, ingetrokken worden.” Het werd echter inde Tweede Kamér met 32 tegen 23 stemmen verworpen, omdat men vreesde de vrijheid van Neêrlands burgers te verkorten. Kn toch was het ’t eenig afdoend middel om diezelfde burgers voor oneerlijke speculatie op hunne lichtgeloovigheid te behoeden. Maar die afstemming betreuren wij nog om een’ andere reden. Eerst dan toch ware het mogelijk geworden enkele goede middelen, die door bijzondere bewerking of nieuwen vorm uitmunten, te onderkennen van de massa, die ons overstroomt, en die wij, ik beweer bijna zonder uitzondering, als kwakzalverijen mogen veroordeelen. Of verdient niet ieder middel dien naam, dat opgesmukt en aangeprezen op eene wijze, die bespottelijk en overdreven moet genoemd worden, een eenvoudig geneesmiddel geeft wat in iedere apotheek vaak tegen V3 van den prijs wordt gereed gemaakt ? Zulk een handel is den wetenschappelijken apotheker onwaardig. Hij levert geen’ geneesmiddelen, dan die hij zelf bereid heeft en waarvan hem de samenstelling volkomen bekend is. Alleen met die opvatting kan hij vrede hebben en daarvan nimmer af te wijken moet zijn trots en zijn’ 'eere zijn. S. De Heeren P. J. Haaxman, W. Eobertson Az., P. Droogleever Fortuijn, J. Droogleever Eortuijn, J. de Loos, L. Wigman, G. H. Eshuijs, J. Agema, J. S. de Haan, VA. J. H. van Veerssen, B. H. A. Vos, F. H. L. Broedelet, allen apothekers te Botterdam, ten Bosch, stads-apotheker