is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 13, 1876-1877, no 15, 13-08-1876

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13e Jaargang. 13 Augustus 1876. N°. 15.

PEARMACEÜTISCH WEEKBLAD

VOOR NEDERLAND. Voor Apothekers en Apotheekhoudende Geneeskundigen

REDACTEUR: R. J. OPWIJRDA, te Nijmegen. Prijs per Jaargang, franco per post, ƒ 4,50. Advertentiën: van I—s regels ƒ I,—, elke regel meer 20 Cts. ca 10 Cts. voor een N°. van het blad. Een Abonnemenis-tarief is op aanvrage verkrijgbaar.

UITGEVER: D. B. CEKTEIV, te Amsterdam. De stukken, welke men wenscht opgenomen te zien, worden uiterlijk Woensdag morgen verwacht bij den Redacteur. De Advertentiën uiterlijk Vrijdag avond bij den Uitgever.

Nedcdeelingcii. Ingezonden stukken. Amsterdam, 8 Augustus 1876. Zeer Geachte Heer Redacteur! Beleefd verzoek ik U onderstaand schrijven een plaatsje in uw veelgelezen blad te willen inruimen. MILITAIRE PHARMACIE. Onder dit opschrift komt een ingezonden stuk voor in het bijvoegsel van het Pharmaceutisch Weekblad, 6 Augustus 1876, waarop ik meen tot antwoorden verplicht te zijn; hoewel de inzender (dien ik verder X. noemen zal) achter de schermen blijft I°. door den aanhef //naar men verneemt” en 3°. dooreen anoniem schrijven ; hoewel X. sommige zaken geheel verkeerd voorstelt, niet het minst het //dagloon, half bevoegd en hoop op eenige promotie” en het stuk reeds daardoor voor velen van geen waarde is, kan het mogelijk van invloed zijn op de zienswijze van enkele bevoegden, die voornemens zijn zich voor de bewuste betrekking aan te melden. Doordien ik nu meen volkomen op de hoogte te zijn van den aard dier betrekking is mijn belangeloos doel, die bevoegden aan te raden bij hun voornemen ie blijven. Welk doel tracht de heer X. door zijn schrijven te bereiken? Het blijkt duidelijk dat hij hoopt dat deze //ongelukkigste” poging zal mislukken, opdat daardoor waarschijnlijk meer kans blijve bestaan op de (ook naar mijn’ meening noodzakelijke) verhooging der tractementen van de militaire apothekers. Niet onaardig is dit middel gekozen, want gesteld, dat de belanghebbenden het den hulp-apothekers (bevoegde hulp-apothekers is een pleonasme, onbevoegde hulp-apothekers is iets onmogelijks, hulpapothekers op daggeld bestaan alleen inden geest van X.) zóó afgrijselijk wisten voor te stellen, dat die eenparig besloten de //wervers” voor hun vernederend aanbod minachtend af te wijzen, dan zou het gebrek aan personeel steeds dringender worden en eindelijk zou zeker gewenschte verbetering der tractementen daar zijn. De wijze echter waarop X. dat doel tracht te bereiken, ’t zij hij er belang bij heeft (?) of niet, is sterk af te keuren. X. toch spreekt minachtend van //daggeld” en //dagloon.” Men heeft dit aldus te verstaan : een' dagelijksche berekening naar een’ rede van ƒ 1300, per jaar; dit zal hoogstwaarschijnlijk per drie maanden worden uitbetaald (ik heb het echter liever maandelijks) en nu vraag ik, voor wien moet de neus worden opgetrokken, voorden burger-apotheker, die dagelijks zijn’ ontvangst uit het laadje haalt, voor den militair apotheker, die maandelijks of voor den hulp-apotheker, die «fnemaandelijks zijn tractement ontvangt; ik doe dit niet voor de twee eerstgenoemden, X. schijnt hel wel te doen voor den laatstgenoemde. Wie of wat geeft aan X. het recht te zeggen, dat wij //onbevoegd” of //half bevoegd” zijn voor de waarneming dier betrekking; wij worden toch aangesteld om: als hulp-apotheker werkzaam ie zijn in die garnizoenen waar de meeste behoefte aan hulp bestaat. Was dit aan X. niet bekend, dan is het onbegrijpelijk hoe hij genoemde uitdrukking durft bezigen; was het hem wel bekend maar neen! dat kan niet zijn! Dat zou al te

dwaas zijn! Wanneer wij nu door de wet, door ons examen, bevoegd worden geoordeeld om als zoodanig op te treden, dan zal het ons waarlijk weinig hinderen, wanneer X. ons zegt //ge zijt onbevoegd” en gelukkig zoo voor apothekers als voor hulpapothekers, dat er velen, zeer velen zijn die //zich aapsprakelijk stellen voor de gevolgen” dier bevoegdheid. Ik raad X. aan, behalve van artikel 33 en 23 der wet regelende de uitoefening o o der artsenijbereidkunst, ook kennis te nemen van artikel 3,7 en 35. Is de positie, zooals ons thans wordt aangeboden, //beneden onze waardigheid”? zijn we daardoor //verstoken van de gelegenheid een even eervolle carrière te maken als inde burgermaatschappij”? Zijn we daardoor //minder geëerd en geacht”? Staan we daardoor gelijk met //hospitaal-bedienden”? antwoord: neen! want we zijn hulpapothekers! en we blijven het ook neen ! want, al zegt nu X., dat ons ten eenemale de gelegenheid ontbreekt om ons ineen laboratorium voor het eindexamen als apotheker voor te bereiden, dan zeg ik weer dat dit geheel onjuist is. Wel degelijk staat voor ons die gelegenheid open; I°. toch moeten we van ’s ochtends 8 tot ’s namiddags 3, en ’s avonds van 4 tot 6 uur inde apotheek werkzaam zijn; tijd is er dus genoeg over om ineen laboratorium te werken; 3°. is er hier, en dat zal in verreweg de meeste hospitalen het geval zijn, een geschikt laboratorium; reeds den 3den dag na mijn’ aanstelling heb ik er in mijn vrijen tijd een praeparaat gemaakt; en 3°. bestaan er buitendien, zij Amsterdam daarvoor ook de geschiktste plaats, talrijke bronnen voor ons open om kennisse te putten noodig voor het apothekers-examen. Wat betreft de gelijkstelling aan hospitaalbedienden, laat de heer X., onbekend blijvende, een bezoek inde apotheek afleggen, en hij zal dadelijk bemerken (dat hoop ik ten minste voor hem) dat ik inde verste verte niet gelijk gesteld ben met een hospitaal-bediende, integendeel! Eindelijk het vereischte bewijs van gedurende twee jaar als hulp-apolheker ineen apotheek te zijn werkzaam geweest: I°. zegt de wet nauwkeurig (of minder nauwkeurig ?) //in een’ apotheek binnen dit koningrijk”; ligt de militaire apotheek daarbuiten? ik geloof in geen enkelen zin *j; 3°. wonen we niet in het hospitaal en nu is het immers weer gewenseht èn voor den apotheker èn voor den hulp-apotheker, dat de laatstgenoemde bij den eerstgenoemde inwoont, of voldoet dat dan nog niet aan de wet? 3°. diene dat heeren examinatoren over het algemeen afkeuren, wanneer de hulp-apothekers zich direct na het verstrijken dier twee jaar voor het apothekers-examen aanmelden en het hun gewenseht voorkomt dat zij (de hulp-apothekers) die tweejaren hoofdzakelijk aan de studie wijden om dan daarna, nog vóór het eindexamen, meerde practische, maatschappelijke positie van den apotheker te leeren kennen. En vindt gij dan nu, hulpapothekers, vooral gij die met finantiëele omstandigheden hebt rekening te houden, die het daardoor meer inspanning en opoffering kost om het groote doel te bereiken, vindt gij dan nu *) Wel voor de visitatie door gecommitteerden uit de geneeskundige raden, Red.