is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 13, 1876-1877, no 51, 22-04-1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bet tijdstip der aangifte een beter wist. Want anders zou van de instemmers, waaronder mannen van ervaring voorkomen, die daarenboven de vaan der Pharmacie sinds lange jaren met eere omhoog hielden, wel iemand zich aangemeld hebben. Is het den Heer van Hille ernst met de zaak, waarvoor hij de pen opnam, hij sta op en zette eene anti-beweging op het touw. Dit wordt plicht, wanneer men tot de voorstellers zegt: gij stelt een lokaas van schijnverbetering daar, door apothekersbedienden op te kweelen van eigenlijke smids-en andere jongens. Mocht de Commissie, op de bijeenkomst te Utrecht benoemd, onverhoopt haar mandaat moeten neerleggen wegens gebrek aan deelneming, dan eerst zou de Heer van Hille kunnen verklaren ; het bleek onmogelijk het voorgestelde pensioenfonds op te richten. Op 26 Maart 1877 reeds tot die onmogelijkheid te besluiten, staat gelijk met: uit het zakken van het kwik inde barometerbuis op heden, te concludeeren tot slecht weer op morgen. In geen geval wil ik met den Heer van Hille tot de bevoegde personen en vereenigingen behooren, die hun best moeten doen door de achterdeur iemand naar binnen te helpen, die in 1865 de voordeur werd uitgezet. Die //iemand” is : de oude bedeeling met haar stelsel van brekebeenen. Als ik ziek ben en medicijnen behoef, is het mij vrij onverschillig of mijn apotheker zich vóór zijne promotie tien jaar lang goed zedelijk heeft gedragen. De bekwaamste apotheker is in mijn oog de beste; overigens zij hij, wat mij betreft, tien jaar lang een losbol geweest. Wie kan ooit met ernst van eene Regeering verlangen, dat zij tegen het algemeen belang in om de positie van enkelen te verbeteren een premie zal stellen op middelmatigheid! Afgescheiden nog van den wreeden eisch eene Regeering te willen laten zoeken naar een criterium van goed zedelijk. Ik heb altijd gemeend, dat de apotheker de verantwoordelijke hoofdpersoon is, die zorg draagt voor deugdelijke geneesmiddelen en den gang der zaken regelt. Maar bij den Heer van Hille staat de werkkring van den chef ineen kwaad blaadje ; in zijn trant voortredeueerende zou men het emplooi vaneen stationchef kunnen omschrijven met de woorden: //pro forma heen-en weêrloopen.” Wanneer men ten minste voorbij wil zien, dat het kuieren van den verantwoordelijken chef noodzakelijk is om het oog te houden op het ondergeschikt dienstpersoneel, om een geregelden loop der treinen te verzekeren enz. En sluit dat alles niet in: waken tegen ongelukken? Er zijn meer zaken, die slechts behoorlijk kunnen gedreven worden met flink hulppersoneel, maar dit maakt den chef niet overbodig of tot een //rot fainéant.” Men vult elkander aan. Wat is beter eene ondergeschikte positie te ontvolken of die positie te verbeteren? De Heer van Hille meent het eerste en raadt dat ook aan, maar ik ben zeker, dat Heeren assistenten zich nog wel eens zullen bedenken vóór zij aan het kiezen van andere carrières gaan. Dat woord kiezen is een mooi woord bij zóó groot gebrek aan keus. De Heer van Hille spreekt er over, alsof de carrières langs den weg groeien, maar hij weet wel beter! Met zijne vragen aan het slot van zijn betoog, doet de Heer van Hille, wat de Engelschen noemen: //a leap in the dark.” Maar dat doet er niet toe, ik ga die vragen ook eens beantwoorden, //Wiens en welke belangen behartigt een boekhouder ?” Antw. van Hille: //Alléén geldelijke belangen van zijn chef.” Autw. Thieme: //In de eerste plaats zijn eigen belang met degelijk werk voor zijn chef als middel. //Wiens en welke belangen behartigt een apothekersbediende? Antw. van Hille: 1° //De gezondheid of het levender patiënten.” 2°. Daardoor ook geldelijke belangen van zijn chef. Antw. Thieme; Idem als voor een boekhouder. De Heer van Hille, ziende: dat er voor een boekhouder en een apothekersbediende verschil van verantwoordelijkheid bestaat, doet den apothekersbediende optreden als //Levensvorst,” wanneer hij beweert, dat hij het leven en de gezondheid der patiënten behartigt. Als ik patiënt ben, dan behartig ik dat alles zelf en grijp daartoe de middelen aan, die mij het geschiktst voorkomen. Van harte hoop ik, dat een apothekersbediende nooit het middel zal worden, dat mij van den wal inde sloot helpt; dit zou het geval kunnen worden, als hij onschuldig en onwillekeurig'— mij medicamenten gereedmaakte op voorschrift vaneen geneesheer en die medicamenten ineen gegeven geval schadelijk bleken. Zal ik dan tót zulk een bediende mogen zeggen ; gij hebt mijne gezondheid niet beharligd ?” Hij zou met recht antwoorden: //Ik heb alles met de meeste zorg klaar gemaakt 1” Precies en uitsluitend, wat van hem geëischt werd. In alle betrekkingen is men inde eerste plaats : egoïst-, de positie is immers het middel tot zelfbehoud? Of behartigt men vóór alles het belang van anderen, als men voor zijn eigen kost werkt? Als die laatste vraag bevestigend beantwoord moet worden, dan is de aarde bevolkt met philantropen en kan ieder beweerën, dat hij van beroep onbaatzuchtige, is.

'\

Wij wenschen met ons fonds eene poging aan te wenden om den assistenten O. W. een uitzicht te openen op de toekomst en hen, die de positie van apothekersleerling kiezen als beroep, inde voordeelen van het fonds te doen deelen. Ik heb dit reeds aangeprezen anderhalf jaar vóór de Leidsche Heeren verklaarden, dat wij 50 jaar te laat komen. lemand, die in het water lag, deelde aan een voorbijganger mede, dat hij op het punt stond van te verdrinken. //Dat zie ik,” zei die voorbijganger en liep door. Dat doen de Leidsche Heeren ook; ze zijn //doordrongen van het edel doel” dat ik beoog, maken er eene beleefde buiging voor in het Ph. Weekbl. en steken geen hand uit om mij dat doel te helpen bereiken. Als een arts eens op de vlucht sloeg, in plaats van zijn best te doen, ziekten te lenigen of te vóórkomen ? De Leidsche Heeren, Mijnheer de Redacteur ! winnen het overigens van mijn buurman te Bloemendaal in helderheid van betoog. //Assistenten O. Wzeggen zij, //sterven langzamerhand uit. ” Dit is juist of volgens het volk: „alles waar afgaat en niet bijkomt, vermindert.” Blijven dus over: vrouwelijke en mannelijke leerling-apothekers. Het getal der eersten neemt toe. Natuurlijk, want concurrentie naar betrekkingen door vrouwen is nog grooter dan die door mannen. De mannelijke leerling-apothekers moeten in twee klassen worden gerangschikt. Zij, die verder komen en als ondergeschikten tijdelijk hulp verleenen en zij, die wegens gebrek aan finantieéle of geestes-gaven blijven staan. Deze laatsten stappen volgens de Leidsche Heeren van het vak af. Dit wordt geconstateerd als feit en die bloote vermelding acht ik verstandiger dan den raad van den heer van Hille, die ze ergens heen wil laten stappen en de keuze van richting vrijlaat. De H.H. Honig en Ruiger Schutte zouden die beweging wellicht beclenkelijk achten, als ook zij een advies moesten geven, juist wegens het door henzelven vermelde gebrek aan finantieële en geestes gaven. Door het steeds grooter wordend gebrek aan hulppersoneel, stijgen de salarissen. Hoe lang zal dat duren? Tot de markt voor andere betrekkingen zóó overvoerd is, dat de positie van leerling-apotheker vergelijkenderwijs eene begeerlijke wordt. Inden loop van den winter betaalde ik 28 ets. voor een kan petroleum. Hoe kwam dat ? Omdat de eigenaars der bronnen in Pennsylvanié' kunstmatig wanverhouding wisten te brengen tusschen aanvoer en vraag. Gevolg: stijgen van prijs. Hoe lang? Tot de vraag ophield, doordien de petroleum-consumenten zich tot andere brandstof wendden om hulp. Daarop; nieuwe aanvoer door de eigenaars der bronnen; compensatie tusschen aanbod en oonsumtie, tegenwoordige prijs 13 ets. Ander voorbeeld. Ontvolking der messenfabrieken te Sheffield om onbetamelijke vragen om loonsverhooging klem bij te zetten. Gevolg: uitvoer van staal uit Sheffield naar Buitschland en wederinvoer van, in Buitschland vervaardigde messen uit dat staal, naar diezelfde stad. Verkoop van die messen te Sheffield eenige percenten beneden den vroegeren hoogen prijs. Gevolg: terugkeer van het weggeloopen werkvolk naar de fabrieken °met verzoek om arbeid tegen minder loon. Zoo is alles in alles. Vraag aan de Heeren te Leiden: Zou gemeen overleg tusschen werkgevers en werknemers niet in aller belang het beste zijn en tevens kunnen strekken tot verbetering der positie van ondergeschikten voor de toekomst ? Vóór de Heeren een antwoord geven op die vraag, gelieven zij het advies in te winnen van den Heer J. C. van Marken Jr., Directeur der Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek te Delft. En het TFeduwen-fonds? Vooral met het oog op de thans levende en gehuwde assistenten is op de vergadering te Utrecht alléén de wemchelijkheid van dergelijk fonds uitgesproken. Ik verzoek dus beleefdelijk vooreerst niet beticht te worden vaneen premie te willen stellen op onberaden huwelijken. Op 3 April te spreken van het ineenvallen vaneen kaartenhuis zonder iets te weten van de fondamenten van dat huis, staat gelijk met ergens eene visite te gaan maken en zelf thuis te blijven. Aan al de Heeren mijn hartelijke groet! Met de meeste hoogachting, Mijnheer de Redacteur! Overveen, Uw Dw. Dienaar, 13 April 1877. P. J. van Eldik Thiemb. Mijnheer de Redacteur! Wil zoo vriendelijk zijn nevensgaande in uw Weekblad op te nemen, waarvoor ik u mijn dank betuig. Het lezenswaardig verslag van de vergadering te Utrecht heb ik met genoegen vernomen. Allereerst een woord van dank aan den heer van Eldik Thieme, die zoo edelmoedig het initiatief heeft willen nemen om eene, voor ons zoo nuttige zaak tot stand te brengen; als ook aan u, Mijnheer de Redacteur, voor de krachtige wijze, waarop onze stand door u in ’t licht gesteld is, en de mate van waardeering, die wij van u hebben mogen ondervinden; zoo mede aan al de heeren, die zich de moeite hebben willen ge-