Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is gegeven. Zij zou inmiddels wellicht kunnen bepalen, hoe groot naar hare meening het minimam moet zijn van het aantal deelhebbers, ten einde niet aan het werk te gaan, eer dat minimum zich zal hebben aangemeld. Tot groote uitbreiding zal dit aantal m.i. zeker niet komen eer het fonds is opgericht en de zaak haar beslag heeft. De meerderheid oordeelt inden regel niet op grond van statuten of andere bescheiden, waarvan de zin en de beteekenis voor den lezer niet onmiddellijk blootliggen, maar gaat af op het voorbeeld van anderen in wier oordeel zij vertrouwen meent te moeten stellen. Elke lijst van deelnemers brengt dus ook weer anderen bij, en eene verlenging van den termijn komt mij hoogst wenschelijk voor. Ik heb dit willen opmerken, niet omdat de commissie moreelen steun noodig heeft, maar omdat hierdoor allicht weder een enkel lid gewonnen wordt. 145- 77- J. Th. M. Mijnheer de Redacteur! W'ees zoo goed nevensgaande in uw veelgelezen Blad op te nemen. Manneer ik geregeld uw Weekblad inzie, ben ik telkens verwonderd, dat de deelneming aan het Pensioenfonds door de HH. adsistenten zoo uiterst gering is. Bijv. te Amsterdam, alwaar naar den aard der zaak zich de meeste adsistenten bevinden, laat die deelneming zeer veel te wensohen over. Wat mag hiervan de reden zijn? Over het nut der zaak zal wel geen verschil van gevoelen bestaan, over de uitvoerbaarheid nog minder, en waarom dan niet als een eenig man eene zaak gesteund, die zou kunnen toonen, hoe verre onze krachten reiken? Of zouden wij het schouwspel moeten beleven, dat de Commissie, die zoo edelmoedig de taak heeft aanvaard, uit gebrek aan deelneming haar mandaat moest neerleggen. Mijnheer de Redacteur, dit zou ik niet alleen betreuren, ik zou ’t eene schande noemen, en ik hoop, dat die ons bespaard worde; weshalven ik andermaal deze gelegenheid waarneem, om al mijne mede-adsistenten inden lande op te roepen krachtig door eene algemeene deelneming de zaak te steunen, ten einde het beoogde doel zoo spoedig mogelijk worde bereikt. U, Mijnheer de Redacteur, dankzeggend voor het opnemen dezer regels heb ik de eer te zijn Uw dienstw. dienaar, Brielle, 15 Mei 1877. E. A. van Goep, Admtent O. W. Geachte Collega's! A ' Het zal dea meesten uwer niet ontgaan zijn, dat er tot heden onder de leden van het voorgenomen pensioenfonds voor ’t meerendeel adsistenten O. W., zeer weinigen der N. W. te tellen zijn. Dit is ook wel te verklaren; de laatsten toch hopen natuurlijk nooit van dat fonds voordeel te genieten, aangezien het hun plan niet is, altijd te blijven wat zij nu zijn. Dit was ook mijn gedachte en de reden, waarom ik mij tot nog toe van het lidmaatschap onthield (’t was, ik moet het zelf bekennen, wel een weinig egoïstisch). Doch nu bij ongenoegzame deelneming dat fonds dreigt niet tot stand te komen, nu de Commissie, belangloos in hare moeite, de vrees uitsprak haar mandaat te moeten nederleggen, nu is het onze plicht haar met kracht te steunen; ik zeg ome plicht, want met dat vonze” bedoel ik allen. Is de toestand der adsistenten reeds veel verbeterd bij vroeger, het oprichten van dat fonds draagt tot nieuwe verbetering niet weinig bij, en al zijn we dan eenmaal zoo ver, wat toch ons aller plan is, dat wij persoonlijk geen voordeel van dat fonds genieten, is het dan voor onze adsistenten niet van belang als hunne toekomst verzekerd is ? Zal dat niet veel er toe bijdragen, om het getal er van te vermeerderen, en eindelijk hebben wij er dan, zij het niet direct dan toch indirect ook geen voordeel bij? En nog iets: Is het niet mogelijk, dat ook sommigen onzer blijven staan en dan inde termen vallen eene tegemoetkoming noodig te hebben ? ’t Is zeker niet te hopen, maarde mogelijkheid bestaat er. Welaan dan, geachte Collega’s, slaan we allen de handen in een, om datgene te verkrijgen wat ook later ons tot voordeel kan zijn; Een adsistent N. W. Arnhem, 17 Mei 1877. NOODLIJDENDE APOTHEKEN. {lngezonden.) In het nummer van 6 Mei werd een plannetje opgeworpen, om, bij overeenkomst met eenige apothekers, de //clientèle” van eene apotheek, welker eigenaar niet meer in staat is, de werkzaamheden zelf te verrichten en die niet genoeg oplevert om

eenen goeden bediende te betalen, te doen bedienen door andere apothekers, die dan de bedoelde apotheek zouden heeten //waar te nemen.” Hieromtrent dient te worden opgemerkt, dat onder dien vorm de zaak moeilijk aldus zou kunnen worden geschikt, daar het //waarnemen van eene apotheek, die den waarnemenden apotheker niet toebehoort, tot op zekere hoogte door de wet geregeld is, en er niet verscheidene //waarnemende” apothekers voor ééne apotheek kunnen zijn. De apotheek van eenen zieken apotheker kan worden waargenomen door eenen niet gevestigden apotheker. Dit hulpmiddel is hier niet bruikbaar, daar de apotheek verondersteld wordt, hiervoor geen voordeel genoeg op te leveren. De apotheek van eenen zieken apotheker kan ook tijdelijk worden waargenomen dooreen anderen apotheker, tegelijk met de zijne, wanneer de geneeskundige inspecteur hiertoe vergunning geeft. Ook dit hulpmiddel schijnt hier niet bruikbaar, daar dergelijke vergunning slechts aan éénen apotheker gegeven kan worden en slechts voor eenigen tijd. Niet aan verscheidene apothekers voor vele jareu. Ook zouden, begrijp ik de bedoeling goed, deze hulpmiddelen niet aan de bedoeling beantwoorden. Deze toch schijnt te zijn, dat de zieke apotheker geheel van zijne apotheek ontslagen gerake en die apotheek dus worde opgeheven. Maar ook bij ’t opheffen vaneen apotheek heeft de wet voorschriften gegeven. Eene apotheek wordt bij opheffing met eene andere apotheek vereenigd en de recepten van de 20 laatste jaren gaan dan op die apotheek over, of zij wordt geheel opgeheven, de recepten van 20 jaren worden aan den geneeskundigen inspecteur overgegeven en de geneesmiddelen worden verkocht of, hetgeen ook wel gebeurt, ten geschenke gegeven. Hier kan dus ook slechts spraak zijn van vereeniging der apotheek met ééne andere, niet met verscheidenen. In het bedoelde geval zal dus de apotheker altijd beter doen, te trachten met éénen anderen apotheker (in zijne buurt als ’t eene apotheek in eene groote stad geldt) eene overeenkomst aan te gaan, volgens welke deze zijne apotheek overneemt. Die overeenkomst kan men zóó inrichten als beide partijen het best vinden. Daarmede heeft de wet niet te doen. Indien zij zoo luidt, dat de zieke apotheker, die zijne apotheek overdoet, zoo lang hij leeft een zeker gedeelte ontvangt van de opbrengst der recepten, gereed gemaakt voor hen, die vroeger zijne klanten waren, dan zal de zieke apotheker, bij het overdoen zijner apotheek aan zijne klanten eenen brief kunnen zenden, waarin hij hun mededeelt, dat zijne apotheek is overgegaan op den apotheker N. N. en hij zijne klanten verzoekt hunne recepten voortaan bij dezen, in plaats van bij hem, te zenden, omdat hij dan daarvan nog steeds blijft voordeel trekken; dan zullen de meeste klanten daartoe bereid zijn, tenzij zij eenen grond hebben, waarom zij eenen anderen verkiezen, hetgeen men nooit kan beletten. Wil men met meer apothekers eene geldelijke overeenkomst aangaan ten opzichte van recepten van vroegere klanten, de wet zal zich daarmede niet inlaten. Maarde apotheek kan slechts door éénen apotheker worden «waargenomen” en blijft dan bestaan, en hij kan slechts door éénen apotheker worden //overgenomen”, hetzij deze geeno andere apotheek hebbe en zich inde overgenomen apotheek vestigt, hetzij hij deze met zijne reeds bestaande apotheek vereenige. In het algemeen, deze opmerking kan ik hier niet terughouden, leert de ondervinding dat vele apothekers te lang wachten met het overdoen van hunne apotheek. Het is altijd voordeeliger eene apotheek overtedoen vóór dat men daartoe door ziekte of door achteruitgang der apotheek bepaald genoodzaakt is. Eene apotheek die begint achteruit te gaan, door ouderdom of ziekte van den eigenaar, is meer waard, dan wanneer men, inde hoop een beter bod te krijgen, haar nog eenigen tijd aanhoudt. De kooper weet zéér goed dat de tijd de waarde vermindert. Het gebeurt lang niet zelden, dat eene apotheek wordt overgedaan voor eene som, geringer dan eene, die men vroeger had geweigerd, als te gering. Het spreekwoord betreffende iemand, //die het onderste uit de kan wil hebben”, blijkt ook hier dikwijls waarheid. Te lang zich vastklampen aan eene noodlijdende zaak, om ’t zoo eens te noemen, heeft reeds menigeen nadeel berokkend, dat hij had kunnen voorkomen, door tijdig verstandiger te handelen en te nemen hetgeen te verkrijgen was. Ik heb het herhaaldelijk gezien, hoe vruchtelooze pogingen om meer voordeel te bedingen, eindigden in schade. Het spreekt van zelf dat eene achteruitgaande apotheek bij verkoop zijnen eigenaar niet een kapitaal kan opbrengen, waarvan hij voortaan zal kunnen leven. Dit is niet te veranderen. De apotheker is nog gelukkig, dat als hij sterft zijne apotheek toch altijd nog waarde heeft, als zij niet geheel zonder klanten is. Als de geneeskundige sterft, hebben zijne nageblevenen niets. Terecht zegt de redacteur van dit Weekblad, in zijn naschrift tot het artikel, hetwelk mij tot deze regels aanleiding gaf, dat er verschillende apotheken zijn voor wie ’t beter ware dat zij niet bestonden. Hoe spoediger deze worden opgeheven, des te voordeeliger is ’t inden regel nog voor den eigenaar.

Sluiten