is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 14, 1877-1878, no 37, 13-01-1878

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niets gemeens hebben, maar die gelast zullen worden de gansche verantwoordelijkheid op zich te nemen. Wij achten dit feit voldoende om aan te toonen dat er bij de behandeling van het onderwerp gemis aan ernst bestaat. Inderdaad weinig of geen ernst tegenover de roeping van den pharmaceut, en even weinig ernst tegenover de wet die vaneen ander beginsel is uitgegaan. Had de commissie dit beginsel gehuldigd, zoo zoude zij zich wel gewacht hebben in dien zin te adviseeren. Zij zoude zich wel gewacht hebben tegen beter weten in, en zonder schijn van noodzakelijkheid den waarborg aan te tasten, dien de wet positief eischt, om de beoefening toe te laten vaneen vak, dat zulk een groote mate van vertrouwen eischt en in gelijke verhouding staat tot het leven en de gezondheid van het individu, als de geneeskunst. Wat haar bewogen heeft dergelijke ketterij en ongerechtigheid te plegen? Het belang van den staat? Toch niet; men moet al zonderlinge begrippen van staatsbelang hebben om op zulk een denkbeeld te komen. Neen, de commissie spreekt vaneen ander, een financieel belang, ziedaar de zaak. ’t Is treurig als men op dergelijke prozaïsche dingen stuit, wanneer er kwestie is slechte toestanden te verbeteren. Treuriger nog wanneer ze niet op hare plaats zijn, die gehate dingen, en den pas afsnijden tot verbeteringen. – Nu zijn wij van oordeel dat het financieel bezwaar der commissie tot deze laatste dingen behoort en er geen zin ligt in hare bewering. Vooreerst wijl met cijfers aangetoond kan worden, dat het korps militaire apothekers op verre na niet die uitbreiding behoeft, welke de commissie beoogt. De kleine garnizoenen toch, die er zullen blijven bestaan, kunnen met voordeel aan civiele geneesheeren en apothekers toevertrouwd worden. Er blijven dan, ruim berekend, acht garnizoenen over, waar een militaire pharmaceut moet geplaatst worden. Deze uitbreiding van het korps zal wel niet stuiten op financieele bezwaren. Financieele bezwaren ! Maar heeft de commissie, zich bij voorkeur aan dit punt vasthoudend, wel berekend welke kosten de uitvoering van haar voorstel na zich zou slepen ? Blijkbaar niet en dat is eene omissie, want daardoor is zij inde fout vervallen voor een denkbeeldig, een wezenlijk bezwaar inde plaats te stellen. De ondervinding toch heeft bewezen dat een tractement van f 1300 het vermogen mist hulpapothekers aan den militairen dienst te verbinden. Van 7 hulp-apothekers in het voorgaande jaar aangesteld, hebben reeds vier hun betrekking vaarwel gezegd. De zaak is natuurlijk; de hulp apotheker staat hooger, is veel meer dan de Commissie zich voorstelt en een inkomen als het bovengenoemde is een aalmoes tegenover hetgeen hij opoffert van zijn belang, van zijne toekomstige bestemming. Om zijne studiën met vrucht voort te zetten, is hij gebonden aan eender vier academiesteden en nu zal hij wel geen lust gevoelen om ineen of ander afgelegen garnizoen zijn carrière op te offeren. De commissie mag het wenschelijk oordeelen, de zaak te beproeven, het zal blijken een onmogelijk plante zijn. Wij willen echter voor een oogenblik aannemen dat aan haar voorstel kans van slagen is weggelegd. In dat geval moet er over drie bedenkelijke zaken heen gestapt worden; 10. het vertrouwen dat de staat uitsluitend inden apotheker stelt; 20. het hoofdbeginsel en de nadiukkelijke bepalingen van de wet van 1865; 30. eene uitgave van minstens ƒ 45 000 tot het onderhouden eener instelling, die alles in zich vereenigt om onbestaanbaar te zijn met het welbegrepen belang van het leger, onbestaanbaar met de groote verantwoordelijkheid aan de betrekking van den pharmaceut verbonden. Er zou meer aangevoerd kunnen worden tot staving onzer meening, dat de commissie zich hier aan een lichtvaardig en gewaagd oordeel heeft schuldig gemaakt, zij, die elders, en terecht zoo weinig toegefelijkheid heeft betoond bij het overwegen der voorwaarden, welke recht geven op de geneeskundige praktijk bij het leger. Het valt daarom zeer te betwijfelen of zij den Minister van Binnenlandsche Zaken, die, als volksvertegenwoordiger, zooveel heeft bijgedragen tot de wet van 1865, bereid zal vinden de wet overeenkomstig haar smaak te wijzigen. Wij gelooven, dat zij daarmede den heer Kappeijne ongenietbaar zou worden. En het kan vaneen Minister van Oorlog niet verwacht worden dat hij de hand zou leenen tot een maatregel, welke den toets eener zuivere, eerlijke kritiek niet kan doorstaan, een maatregel waarop inden vollen zin des woords alles kan worden afgedongen wat eenigerraate op eene bruikbare toepassing aanspraak zou kunnen maken.

Met het //Caveant Consules” voor oogen, hopen wij derhalve op eene veel betere regeling dan door de commissie in haar verslag werd voorgesteld. De minister ga slechts denzelfden weg op, langs welken de officieren van gezondheid zullen worden verkregen. Die weg is aangewezen en er bestaat geen periculum in mora dat het korps incompleet zal blijven. Het nut van de opheffing der Amsterdamsche school staat onzes inziens daarmede niet absoluut in verband, zelfs pleit er veel voor die opleiding, nu de school tot academie is verheven. Het ligt echter niet op onzen weg daarop te wijzen, alleen moeten wij hier nog opmerken dat het stelsel door de commissie aanbevolen slechts het bestaande ineen ander kleed heeft gestoken, het gaat mank aan dezelfde gebreken, die bij een goede organisatie verwijderd moeten worden. Wij releveeren alleen het fatale premiesysteem, waarover de N. Rott. Courant onlangs zulk een scherp en tegelijk juist oordeel heeft uitgesproken. Het uitloven van premiën, in welken vorm ook, is en blijftin zekeren zin altijd eene verdachte zaak. De regeering boude zich niet op met marchandeeren; met verbeterde tractementen zal men verder komen. Aan de wijsheid en den goeden wil van den Minister van Oorlog zij het overgelaten bij het organiseeren van den geneeskundigen en pharmaceutischen dienst eene radicale verbetering van positie in te voeren, waaraan de Kamers hare volle adhaesie zullen schenken en waardoor het incompleet bij beide korpsen voor goed zal worden opgeheven. X. Leeuwarden 30. 12. 77. Mijnheer de Redacteur! Ik acht het niet ondienstig die collega’s, welken op de zuiverheid hunner medicamenten letten, opmerkzaam te maken op Bals. Peruvianum, zooals men die tegenwoordig inden handel aantreft. Reeds tweemalen inden loop van dit jaar heb ik van twee verschillende' firma’s hier te lande Bals. peruv. ontvangen, die de proef met petroleumaether niet kon doorstaan. Den laatsten balsem heb ik nauwkeuriger onderzocht, en door destillatie en behandeling van dit destillaat met kaliumhydroxyde en ioodkaliumoplossing duidelijke kristallen van iodoform verkregen, die echter weinig in getal waren. lk had dus waarschijnlijk te doen met balsem die met styraxbalsem vervalscht was, zooals indertijd door H. Sohweikert, apotheker te Dingelstadt, aangegeven is. Die vervalsching moet, volgens Hager, in Bremen door zekere firma in het groot geschieden. Hoogachtend Uw Dr. G. B. Schmidt Jr. EEN EXCERPT uit l)ie niederen Pihe in ihren Beziehungen zu den Infections-krankheiten u. d. Gesundheitspflege door Prof. C. von NSgeli 1877 en uit lets over Drinkwateronderzoekingen uit ’t Pharm. Weekblad 1875 No. 27 van J. B. Nagelvoort. Na hierover een gunstig advies vaneen hooggeachte autoriteit ingewonnen te hebben, veroorlooft S. dezes zich schoorvoetend de vrijheid overeen onderwerp, dat dezer dagen zooveel besproken werd, een enkel woord in ’t midden te brengen. Sedert het verschijnen van Nageli’s aangehaald werk beschouwt men het eindelijk onder vakgenooten als eene afgedane zaak, dat zelfs een scheikundig onderzoek van drinkwater geen maatstaf is voor de beoordeeling er van als voedsel, en dat eene vegetatie in meergenoemd levensmiddel tamelijk onschadelijk is. (in casu bacteriën). Het verdient daarom evenwel openlijk erkend te worden dat de praktijk van ’t dagelijksch leven, wie weet hoe lang reeds, alle spookhistoriën over ’t Drinkwater ontzenuwd had. Al werd er nog zoo veel door hoog- en laaggeleerden afgegeven op de verderfelijkheid van //onzuiver” water, het volk heeft over de heele wereld de zorg voor //goed” drinkwater al heel laag opgenomen. Bewijzen hiervoor ga ik stilzwijgend voorbij. Die zijn maar voor het grijpen. Maar heeft men wel eens aan het vee gedacht, dat toch ook inde stilstaande slooten van dit polderland niet veel reiner vocht te drinken krijgt? En de runderen zien er hier merkwaardig welgedaan uit, als ik aan hun schrale natuurgenooten op Java denk, die meerendeels flink stroomend rivierwater gebruiken. Door de bijzondere combinatie, die men inde raadgevingen