is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor wetenschappelijke pharmacie, jrg 5, 1863, 1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven 60° C, begint losser te worden, dat boven deze temperatuur uit de geconcentreerde ijzerchlorid-oplossing chlorwaterstof verdampt en ijzeroxydhydraat ontstaat, welk laatste niet altijd zich als bezinksel afzondert, maar door de geconcentreerde ijzerchlorid-oplossing opgenomen wordt.

Wanneer wij alzoo deze verschijnselen , alsmede de ver' anderingen van het ijzeroxydhydraat, die in het vorige artikel behandeld zijn, op de azijnzure ijzeroxyd-oplossingen toepassen , zoo vinden wij gegevens genoeg om ons de merkwaardige ontledingen dezer oplossingen te verklaren. De volgens de Pruissische pharmacopoea bereide % azijnzure ijzeroxydoplossing (Pe2 03, 2A + I Aq.) lost, wanneer hierin azijnzuur en ijzeroxyd inde stoechiometrische verhouding der vermelde formule vervat is , geringe hoeveelheden bruin ijzeroxydhydraat op, dat in dezelfde mate aan de verandering in bruinrood en rood hydraat onderhevig is als het vochtig bruine hydraat bij zijne bewaring. Aanraking der lucht, gemiddelde temperatuur bij langdurige bewaring, eene aanhoudende warmte van ongeveer 20°—30°, daglicht zijn daartoe voldoende. Eerst wordt bruinrood hydraat afgezonderd, dat snel in rood overgaat (bij warmte natuurlijk sneller). Daar volgens de Pruissische pharmacopoea de oplossing van het bruine ijzeroxydhydraat niet gefiltreerd, maar slechts gecoleerd wordt, zoo bevat deze colatuur dikwijls daarin drijvende deeltjes bruin hydraat, die niet opgelost zijn en aanleiding geven, dat het praeparaat bruinrood en rood ijzeroxydhydraat afzondert. Overigens is een overvloed van bruin ijzeroxydhydraat steeds oorzaak, dat na eenigen tijd bewaard te zijn, Vs azijnzuur ijzeroxyd gevormd dat zich inde geconcentreerde vloeistof inden vorm van mikroskopisch kleine kleurlooze kristallen afzondert en een bruinachtig bezinksel vormt. Volgens eene ergens door Scheerer uitgesproken meoning moet de door warmte bewerkte afzondering van ijzeroxydhydraat uit zijne neutrale verbindingen met zwakke zuren toegeschreven worden aan de grootere verwantschap van 3e S, 5e J. 24

369