is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1915, no 2301, 03-02-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iST0. 2301.

"Woensdag 3 Februari.

1915.

HET OOSTEN.

Weekblad gewijd aan Christelijke Philanthropie.

Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt den verdrukte en den arme.

Psalm 82 : 3.

v^a*<sa'wv\a/ww*^/v\*ai»vr¥v*vwww^vvv1»*a/vwwwvvv\^v<wvvvv wvwvsa*

ORGAAN

van de Weesinricfitincr te Keerbosch.

jj '

Aangesloten bij den Centraal-Bond van Christelijke Pliilanthropische Inrichtingen in Nederland.

Onder redactie van den Directeur.

De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, en zichzehen onbesmet benaren van de wereld. Jakobus 1 : 27.

LEDE1T -\7\^£T HET BESTUtTE:

Ds. A. PIJNACKER HORDIJK, Voorzitter, te Nijmegen. — Ds. J. SCHRIJVER, Pred.Directeur, te Neerbosch. — D. J. HASPELS, Penningmeester, te Nijmegen. — H. A. VAN BAAK te Zeist J. W. H. CROMMELIN te Driebergen, E. RENÉ VAN OUWENALLER te Hilversum, Leden der Comm. van Financiën. — J. VAN ZWET Wzn. te Rotterdam. — Ds. J. D. VAN ARKEL te EUelion» Mr. E. Baron MACKAY te Arnhem. — N. J; A. C. SWELLENGREBEL te Arnhem. — J. M. VOORHOEVE te Nijmegen. — Mr. A. ROYAARDS VAN SCHERPENZEEL te Scherpenzeel.

Dit blad verschijnt eiken Woensdag. Abonnementsprijs per halfjaar ƒ1.50. Afzonderlijke nummers 10 Cent. Prijs der Advertentiën: van 1—10 regels ƒ1.—, elke regel meer 10 Cent. Advertentiën gelieve men franco te zenden aan het Bureau van Set Oosten; ingezonden Stukken aan de Redactie en Gelden aan de Commissie van Financiën te Neerboseh.

Een beschamend getuigenis.

Ik zeg ulieden, ik heb zoo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. Luc. 7 : 96.

Welk een beschamend getuigenis was dit woord uit den mond van den Fleer voor de Joden, tot wie de Heere God door Zijn dienstknechten gesproken had, onder wie de Zone Gods Zijn heerlijkheid openbaarde. Wie was de mensch, omtrent wien de Heer dit schoone getuigenis uitspreekt? 't Was de heidensche hoofdman te Kapernaüm. Een van zijn dienstknechten, d. i. slaven, een die hem zeer waard was, was door een ernstige ziekte aangetast en lag op sterven. Hoe gaarne zou hij hem weer hersteld willen zien. Herhaaldelijk heeft hij van Jezus gehooid, van Zijn macht en bereidwilligheid om ongelukkigen te helpen. Tot Hem zal hij heenzenden. Zelf durft hij niet gaan. Hij vraagt de oversten der Synagoge om zijn voorspraak te willen zijn bij Jezus, welk verzoek door hen gaarne wordt ingewilligd. Zij hebben aan dezen heiden groote verplichtingen.

En daar komen nu deze Oversten tot Jezus en brengen de bede over van den hoofdman, daaraan toevoegende het loflijk getuigenis: „Hij is waard, dat gij hem dat doet. want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd."

En de Heer, aarzelt Hij zijn hulp toe *e zeggen? Neen, al was Hij niet gezonden dan tol de verloren schapen des huizes Israël^ en zocht Hij daarom de heidenen uit zichzelf niet op, toch wijst Hij een heiden niet af, die hulp begearend tot Hem komt.

Ziet, daar gaat de Heer met hen mee en is weldra bij de woning van den hoofdman gekomen. Maar niet zoodra heeft Hem eze zien naderen, of hij zendt eenige vrienen tot Hem, zeggende: „Heer, neem de moeite niet, want ik ben niet waardig, dat gi] onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht om tot U te komen, maar zeg het met één woord en mijn knecht zal genezen worden."

De man is ontroerd over de bereidwilligheid en vriendelijkheid van den Heer. Zulk een eer en dat aan hem, den heiden! Dat had hij niet verwacht, dat durft hij niet aannemen. De Heer spreke slechts ®én woord en 't zal voldoende zïjn.

Welk een krachtig geloof nietwaar, welk een onbepaald vertrouwen. Is 't wonder, dat we lezen: En Jezus, dit hoorende, verwonderde zich over hem en zich omkeerende, zeide Hij tot de schare, die Hem volgde: „Ik zeg ulieden, Ik heb zoo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden ?"

Niets minder dan een geweldige aanklacht wordt hiermee Israël in 't aangezicht geslingerd. Want waar eerder dan bij dit volk had de Heer zulk een geloof mogen verwachten? Was er één volk op Gods aardbodem, dat van de vroegste tijden af aan dus door Jehova, hun God, was bezocht geworden ? Één volk, dat dus bogen kon op uitreddingen, genadebetooningen en openbaringen? Was Hij het niet geweest, die door Zijn bijzondere leidingen dit volk

tot een volk des Heeren gevormd had? Had Hij niet aan Abrahams nakroost Zichzelf bekend gemaakt en door Zijn heilige wet hun gewezen den weg, waarop zij Zijn welgevallen konden verwerven? Heel de geschiedenis van dit volk getuigde van Zijn zorg, van Zijn opvoedende liefde. O, wat ontbrak er nog aan den wijngaard, dat daaraan nog gedaan worden moest?

En nu, nu wandelt Hij zelf, Hij, op wiens komst dit Israël voorbereid was, Hij in wien de volheid Gods lichamelijk woonde, onder hen rond en toont, toont door Woord en daad de Beloofde des Vaders, de Messias, de Koning te zijn, op wien de vaderen gehoopt hebben — en wat doet nu dat volk? Brengt het nu de vruchten voort, die de Allerhoogste kan eischen? Is het nu een volk van geloof en aanbidding? Mij dunkt, wij hooren iets van de heilige Smart des Heilands trillen in dit woord: „Ik zeg ulieden, ik heb zoo groot een geloof zeifs in Israël niet gevonden."

Onwillekeurig komt ons de geschiedenis der tien melaatschen in de gedachten, die door Jezus waren gereinigd geworden, maar van wie slechts één terugkeerde om God te verheerlijken en die één was een Samaritaan.

Waarlijk, hoeren en tollenaren, zoo heeft Jezus gezegd, zullen u voorgaan in het Koninkrijk Gods.

Evenwel, nog altijd staat daar die heidensche man als een getuigenis tegen de 1000 maal 1000 in de Christenheid, die al zoo lang aan het Evangelie gewoon zijn geraakt, of nog erger, met alle Christelijk geloof hebben gebroken.

Wij denken aan den arbeid der Zending en aan het licht, dat niet het minst ook in onze Koloniën, over heidenen en Mohammedanen opgaat. Wie de Zendingsberichten opslaat en volgt zal daar dikwijls lezen, wat hem beschaamt en verootmoedigt; immers, terwijl in onze Christelijke, beschaafde landen, hoe langs hoe minder met Christus schijnt gerekend te worden, de kerkgebouwen in vele plaatsen al meer worden ontvolkt, de onverschilligheid hand over hand toeneemt, zien we, hoe daar in donkere gewesten, harten opengaan voor het heil, ja, hoe daar menigmaal bij weinig licht nochtans een geloof openbaar, een standvastigheid en beslistheid gezien wordt, zooals hier slechts zelden aanschouwd wordt.

O, als de Heer nog eens rond ging, gelijk voor 19 eeuwen onder Zijn volk en Hij trok door ons land en werelddeel en daarna door zoo menige streek, waar het Christendom nog slechts kort en weinig verkondigd is, hoe vaak zou Hij reden hebben om dat woord te herhalen, Zijn blikken gekeerd naar de Christenheid: „Ik zeg ulieden, ik heb zoo groot een geloof zelfs bij U niet gevonden!"

Ja, nog altijd staat daar die heidensche man als een getuigenis tegen duizenden bij en rondom ons. Of gebeurt het niet meer dan eens, dat iemand, wien slechts weinig licht ten deel viel, of die opgevoed werd -in kringen, waar de volle heerlijkheid van Jezus miskend wordt, desniettemin met zoo vast vertrouwen en met zoo hartelijke liefde aan den Heiland zich vast¬

klemt, dat wie in 't Evangelie der Schriften van jongs af opgevoed is daardoor diep wordt beschaamd ? Hoe vaak komt 't niet voor, dat menschen, uit de achterbuurten der steden, op een of andere wijze met het Evangelie in aanraking gekomen, veel verder zijn op den weg dan wij kerkelijke, godsdienstige menschen, die van ouder tot ouder in de atmosfeer van den Bijbel geleefd hebben en die nooit hebben getwijfeld?

Zoo menig verachte, zoo menig verworpene, wie weet, zelfs menigè gevangene en misdadiger heeft het woord aanvaard, dat tot zijn ziele gebracht werd, hij heeft er zich door laten behouden — en wij, wij gaan Zondag aan Zondag op onder de verkondiging van datzelfde Evangelie en 't blijft van jaar tot jaar bij het oude; het komt niet tot hetgeen, waartoe ons het Evangelie wil brengen. Wat dunkt u, lezer, is dat niet droevig? Moest dat niet anders zijn? Veel meer nog dan Israël beschaamt ons deze uitspraak des Heeren, naardien ons nog zooveel meer dan Israël is gegeven. Bedenken wij, dat wien veel gegeven is, van dien ook veel afgeëischt worden zal, maar ook, dat wie met zijn beschaamdheid tot den Heiland toevlucht neemt, niet beschaamd worden zal, maar ontvangen zal al de nooddruft zijns harten_

G. N. G. S.

Kroniek der Weesinrichting.

Het lijkt wel of Januari de maand der verjaardagen is, want niet alleen onder onze medearbeidenden maar ook onder onze kinderen zijn er velen, die dan een gelukwensch ontvangen. Verleden week Maandag was het al-weer zoo. Mej. W. Prince, die aan het hoofd staat van de Linnenkamer en de Strijkinrichting, herdacht voor de 7de maal op Neerbosch dat bij den Heer milde handen en vriendelijke oogen zijn en die rondom haar werken lieten dit niet ongemerkt voorbij gaan. Velen onzer meisjes zijn er van overtuigd, dat wat zij onder de leiding van Mej. Prince leeren van zeer groote beteekenis is en dat is een goed teeken. Dat is een goed teeken .... want wat in' deze afdeeling geleerd wordt staat in nauw verband met de toekomst onzer meisjes. Immers, het is niet genoeg dat een wasch schoon op zolder komt en droog beneden; zij moet ook goed en wel in de kast worden gepractiseerd. En nu weet ik wel, dat sommigen dit niet zoo heel nauw nemen en de wasch zoo gauw mogelijk opbergen zonder dat die zorgvuldig behandeld en opgemaakt wordt, maar dan moet men ook maar eens toezien, hoe het verder in zulke gezinnen gaat: die in het kleine niet getrouw is, wordt vaak 'n groote opmaker. Het is treurig hoe bij sommige menschen de linnen- en kleerenkast er uitziet.... geen nette stapels maar een ordelooze massa: alles door en op elkaar. Vandaar dan ook dat in sommige kringen alles zoo spoedig vervalt: het wordt al oud als het nog spiksplinternieuw is. Waarom ? Eenvoudig, omdat het vorfon-

f'aaid wordt en slordig behandeld. Mangelen gaat a la minute en het strijkijzer blijft er soms veel te lang achtereen op staan. Mejuffrouw Prince is er daarom heelemaal bij en met grooten ijver en correctheid behandelt zij haar werk. Deze trouw zal haar in de toekomst zeer beloonen want al waren er onder haar leerlingen die door-en-door vernielziek zijn, velen leeren bij haar alles netjes te doen, zuinig te wezen op hel lijfgoed en zullen haar daarom niet vergeten. En trouwens, al zou niemand ons werk loven, en om dat werk onze personen eeren of met dank tegemoet treden, dan is er nog een groote voldoening in, als wij, zelf berekend voor onze taak,, anderen mogen opvoeren tot hun bestemming en toerusten met datgene wat hun leven gezegend maakt en voorspoed geeft ► Doch genoeg over dit huishoudelijk praatje .... maar denk nu niet, waarde lezer, dat de kronieker een onverschillige is, wien» het niets kan schelen, welke houding de kinderen aannemen tegenover hem en die nevens ons arbeiden. Dan, dit is toch een feit: de zekerheid, dat wij ons werk doen onder Gods oog, in Zijn kracht en met 's Heeren goedkeuring, dat is de zegen, die onzen werkkring smakelijk maakt en anders is het.... treurig.

's Avonds van dezen dag was er chocoladepartij in de wasscherij voor de meisjesen 's middags hebben wij de jarige onze gelukwenschen aangeboden in de ontvangkamer, waar veel bezoek was en wij het gaarne lieten hooren: God geve u nog; menigmaal op Neerbosch te verjaren!

De heer P. D. Middelkoop, sinds maanden reeds onder de wapens, kwam dezer dagen ook weer eens op het Weézendorp en werd door allen hartelijk verwelkomd. Zoowel de jongens van het Nieuwe Plan als wij, die reeds 9 jaren met hem arbeiden,, zien dezen korporaal gaarne verschijnen — nog liever echter in burgerkleeren, al staat de soldatenrok hem niet ongekleed. Een Zeeuwsche christinne had een blik met babbelaars, voor dit doel van groot kaliber gebakken en meegegeven, en zoo gingen al z'n jongens daarna zoet naar bed. Toch 'n aardig idee, dat voor ons duidelijke taal spreekt, waar we op letten en gaarne naar hooren. Eigenaardig toch dat daar heelemaal in de verte, te Bath een hart zoo warm klopt voor de kinderen van Neerbosch. Want geloof het vrij die zoetigheid en kleederen zenden, dat zijn ook de bidders voor onze Stichting. En danken wij veel aan onze weldoeners .... het meest aan degenen, die ons opdragen in het gebed. Meêzorgen is veel, meeleven is meer, doch meebidden is het meeste.

Vandaar ook dat wij altijd met hartelijken dank gewag maken van hetgeen ons toegezonden wordt. Een kleine collecte van een Zondagsschool, een kleine bezending van een armen krans, hebben evenveel waarde voor ons als de royale giften der rijken en de jarenlange hulp, ons geschonken van al de Martha's, Persissen, Maria's, Tabitha's enz. Dat zijn onze weZdoeners.... van haar gaat een gedurig gebed op voor ons en de kinderen^ voer o.ns werk en de Stichting,

Neen, wij maken ons niet dadelijk be-