Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

serveerde bloed, syncytiale woekeringen aantrof, baarde mij geen verwondering. Vaak had ik gelegenheid om waar te nemen dat overal waar de intervilleuse circulatie te wenschen overliet, het syncytium door uitgroeiing en knopvorming, zoolang mogelijk de vlok, wier bekleedsel het vormde, tegen ondergang trachtte te beschermen ‘). Yan der Hoeven zegt in zijn inde noot genoemd artikel ook, dat bij het afnemen van de vitaliteit van het syncytium, de syncytiale laag om het stroma breeder wordt, overgaat in eene homogene roode massa, en zijn kernen gaat verliezen. Het eindproduct van deze degeneratie is dan een groote homogene of gestreepte massa zonder kernen, terwijl het stroma van de vlok hyaline degenereert en hoe langer hoe minder zelfstandig te onderscheiden wordt van het gedegenereerde syncytium. Ik behoef nu slechts de woorden van Breus te herhalen waar hij zegt inde intervilleuse ruimten te vinden „homogene, streifige, hie und da sparrige Substanz welche Colloidschollen onthielt” , om duidelijk te doen uitkomeu, dat hierin slechts het degeneratieproduct van syncytium en vlokstroma is te zien. Op grond vaneen en ander is het dus onwaarschijnlijk dat deze intervilleuse massa een deoidualen oorsprong zou hebben, gelijk Breus in navolging van Hofmeier2) en Steffeck wil. Mij rest nu nog het chorio-amnion te bespreken der door mij onderzochte praeparaten; en hier stuit ik nu weer op eenig verschil met de vroegere onderzoekers. In verreweg de meeste gevallen was het mij gemakkelijk om vast te stellen, dat er wel is waar veel overeenkomst bestond tusschen het weefsel vau het chorion en dat van het amuion. In beide vliezen bestond het namelijk uit fibrillair weefsel dat aan de van elkander afgekeerde buitenzijden bedekt was met een in alle gevallen zeer goed bewaard gebleven epitheellaag. Maar slechts tot zooverre stemden de feiten die ik vond bij mijn mikroskopisch onderzoek, overeen met die van de vroegere onderzoekers. Breus vond dat het chorion in het amnionweefsel overging zonder afscheiding, maar dat het bindweefsel dat tot het chorion scheen te behooreu celnjker was. Zeer waarschijnlijk bedoelde Breus met dezen grooteren celrijkdom , de grootere ontwikkeling, d.i. dikte van de membrana chorii. 1) van der Hoeven. lets over mola hydatidosa en het deciduoma malignnm. Tijdschr. v. Geneesk. 1900. 2) Hofmeier. Die menschliche Placenta.

134

Sluiten