Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oppervlak groote inhammen vormt, ontmoet men een krachtig ontwikkeld , meerlagig plaatepitheel, zooals men dit hij de epidermis waarneemt. Duidelijke papillen vormt deze laag in het onderliggend weefsel niet. Ook hier wordt de epitheellaag dooreen hyaline weefselstrook van het overige gedeelte van den cystewand gescheiden. Terwijl over groote afstanden de grens tusschen het plaveiselepitheel en het hyaline weefsel behouden blijft, dringen op enkele plaatsen de epitheliën bij enkele cellen tegelijk door spleten inde hyalinemassa, om zich verderop in het weefsel in grooter aantal in breeder weefsellacunen te verzamelen. Daar waar het plaveiselepitheel aan de oppervlakte krachtig vertegenwoordigd is en de inhammen tot ver inden cystewand reiken, is de laatste naar evenredigheid aan dikte afgenomen. Waar op korten afstand twee groote met epitheel bekleede inhammen aanwezig zijn, verheft het daartusschen liggend, kernloos weefsel zich ver boven de oppervlakte van den wand. In het lumen treft men 'op de epitheellaag niet zelden groote kernlooze massa’s aan, welke uit verhoorude cellen opgebouwd zijn. Hoewel de epitheelgreus slechts op enkele plaatsen overschreden wordt, vertoonen de epitheliale elementen duidelijke verschijnselen van maligniteit. De cellen zoowel als hun kernen, onderling zeer verschillend van grootte, liggen op sommige plaatsen zonder orde door elkaar en kleuren zich nu eens zeer zwak dan weer zeer krachtig met haematoxyline. Zij vertoonen een groot aantal karyokinetische figuren. Het weefsel dat op de hyalinelaag volgt bevat veel leukocyten en enkele epitheelcellen. De derde laag, welke niet scherp van de vorige is gescheiden, is minder arm aan kernen. Enkele kernen, n. 1. die welke evenwijdig aan het oppervlak verloopen, zijn afkomstig van bindweefselcellen, andere representeeren leukocyten die of verspreid in het weefsel, of rondom krachtig ontwikkelde arteriëele vaten liggen. Daar waar plaveiselepitheel den cystewand bekleedt, is het aantal leukocyten veel aanzienhjker dan op andere plaatsen. De buitenste laag van den cystewand is zeer vaatrijk. De reeds macroscopisch zichtbare geelbruine vlekken van verschillende grootte, welke op den binnenwand der cyste verspreid liggen, blijken aldus te bestaan uit plaveiselepitheel, dat duidelijke teekenen van maligniteit vertoont. Op die plaatsen van het dermoid waar het oppervlak een geelbruine kleur vertoont, blijkt drie of meerlagig plaveiselepitheel te liggen. De grens met het daaronder liggend hyaline weefsel is scherp

282

Sluiten