Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij patiënte bestond inde laatste zwangerschapsmaand stuitligging, die in narcose werd veranderd en dooreen ceinture eutocique werd bestendigd in hoofdligging. Het hoofd vertoonde echter niet veel neiging om in te dalen, ook niet toen bij volkomen ontsluiting de vliezen werden gebroken en de weëen krachtiger werden. De contraotiering steeg tot aan den navel en nog steeds, 9 uren na het breken der vliezen, stond het hoofd beweeglijk op den ingang in A. a. r. dw. Omdat dus vaneen spontanen afloop niets meer kon verwacht worden werd besloten de haring door kunsthulp te termineeren. Aan hooge tang viel bij dit los staande hoofd niet te denken. Yersie en extractie gaf evenmin een eenigzins zekere kans op een levend kind, een kans, nog geringer door het gerekte onderste uterussegment. Sectio Caesarea was dus aangewezen en werd terstond op de gewone wijze zonder eenige stoornis volbracht. Het kind bleek een hard hoofd te hebben. Het kraambed werd gestoord dooreen lichte phlegmasia. Pat. werd 5 weken p. o. genezen ontslagen met haar kind. Een voorstander der keering bij bekkenvernauwing zou hier de geldigheid der S. C. kunnen betwisten. Doch afgezien van den toestand van het O. U. S. was het hoofd te groot en te hard dan dat men zich veel goeds kon voorspellen van zijn passage door het bekken. De maten van hoofd en bekken passen dan ook zeer slecht bij elkaar, zooals blijkt. VIII. N°. 145 {1901), 41-jarige XIV-pam. Operateur prof. Houwer. Sp. 24.5, Cr. 27.5, Omtr. 28, C. 8.1136334,/4, C. D 10, C. V. 8'/4 C.M. Sacrum in dwarse richting convex; heeft een sterke knik in ’t onderste deel; de kruismaten van ÏTagele verschillen een weinig. Bekken: algem. vernauwd, iets scheef. Kind- B. P. 9.5, B. T. 8. Gew. 3330 gr. Anamnese: le en 2e partus thuis, met instrumenten; dood. Inde 3e tot en met 12e zwangerschap werd inde kliniek p.a. pr. opgewekt met resultaat dat in 7 van deze 10 gevallen bet kind dood ter wereld kwam en in 3 gevallen na korten tijd overleed. De 13e zwangerschap eindigde met een miskraam van 3 mnd. Patiënte had dus na 13 X zwanger te zijn geweest op 41-jarigen leeftijd nog geen enkel kind inleven! Tijdens haarlle4e graviditeit meldde pat. zich weer aan inde kliniek om, zooals van ouds, p. a. pr. te laten opwekken Doch het spreekt vanzelf, dat met’t oog op deze anamnese geen oogenblik meer aan p.a. pr. werd gedacht, maar besloten tot primaire S. C. Patiënte was bovendien nietjong meer, de therapie moest derhalve ditmaal afdoende zijn wilde men

280

Sluiten