Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook in ’t volgend geval was S. C. noodig wegens een cervixmyoom , dat echter tijdens de operatie een dermoide cyste bleek te zijn. XX. N°. 78 (1903), 44-jarige I-para. Operateur prof. Kouwet, Patiënte is 31 /2 jaar getrouwd, menstrueerde steeds op tijd, niet profuus, zonder pijn. Yoor dele maal zwanger zijnde werd ze door haar medicus naar de kliniek verwezen, wegens de aanwezigheid vaneen tumor, een cervix-myoom, in het kleine bekken. Bij haar opname bleek uitwendig niets bijzonders waar te nemen , dan alleen dat het hoofd niet ingedaald was, doch op den ingang ballotteerde. Inwendig voelt men de portio hoog achter de symphysis en het achterste deel van den bekkeningang opgevuld dooreen soliden tumor, die den toegang tot het promontorium verspert, naar beneden 2 vingerbreedten boven de interspinaallijn reikt en niet is terug te duwen. Twee maanden vroeger vulde de tumor 2/3 van het kleine bekken op. Patiënte ligt eiken dag 5 uur lang met het voeteneinde der krib verhoogd. Inde laatste maand der zwangerschap komt inden toestand geen verandering; toen de haring evenwel eenige uren geduurd had bleek de tumor nog slechts met moeite te bereiken, zoodat alleen het promontorium er door bedekt werd. Het hoofd echter daalde niet in, ook niet toen de vliezen gebroken waren; alleen werd het tijdens een wee inden ingang gefixeerd. Toen echter, nadat er gedurende 12 uren goede weëen waren geweest, niet de minste verandering inden toestand was gekomen, de tumor zich niet verder terug trok, het hoofd niet indaalde, daarentegen de contractie-ring gestegen was tot 8 vingers onder den navel, de harttonen steeds wisselend waren bleek dat op een spontane haring niet meer te rekenen viel en werd besloten tot S. C. Langer afwachteu zou gevaar voor uterusruptuur meebrengen, terwijl het kind vermoedelijk spoedig zou succombeeren. De operatie verliep op de gewone manier; alleen dient vermeld dat de uterussnede de placenta trof, hoewel de lig. rotunda dicht bij elkander, aan de voorzijde van den uterus liepen. Het kind was asphyctisch, doch kwam spoedig bij. Nadat de uteruswond weer gesloten was, werd de tumor opgezocht. Deze bevond zich achter de baarmoeder , onbewegelijk in adhaesies en neomembranen opgeborgen. Deels stomp, deels scherp wordt de tumor uit zijn bed bevrijd, daarbij het achterste blad van het rechter lig. latum een een eindweegs afgeknipt. Bij het losmaken van adhaesies inde diepte stroomt plotseling een golf melkachtige vloeistof te voorschijn. Het blijkt, dat de diagnose myoom foutief was en dat men te doen had met een dermoide cyste van het rechter ovarium. Den

293

Sluiten