Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ratuur is verschillend. Pasgeboren kinderen van 1000—1500 gram krijgen als temperatuur eerst 37° C. = F. na eenige dagen langzaam dalend tot 34° en eerst als zij goed aankomen heerschtin hun kastje „de couveuse-temperatuur”, nl. 32° C. = F. Zijnde kinderen grooter en sterker dan beginnen zij bij 34° eu komen dan spoedig tot 32°. Nu heeft de verpleegster te zorgen, dat ook bij het verdrogen en helpen der zuigelingen de daarbij noodzakelijk zijnde afkoeling niet te groot is en springt dadelijk in het oog, hoe nuttig niet alleen, maar hoe noodig een afgezonderde ruimte is, waar de couveuses geplaatst zijn. Zoo’n zaaltje toch kan men op temperatuur houden, wat bij een groote zaal, waar ook andere patiënten liggen, niet mogelijk is. Zoo schommelt bij ons in het couveusezaaltje zelf de temperatuur van 70°— 75° Fahrenheit, zoodat men daarin zonder schade het kind uit de couveuse kan nemen en even op den schoot helpen. De voeding kan heel gemakkelijk inde couveuse zelf plaats vinden, door het glazen deksel af te lichten of een eind op zijde te schuiven. Naast het plaatsen inde couveuse is het van het allergrootste belang wat wijden kinderen als voedsel toevoeren en hoe wij dat doen. Het spreekt vanzelf, dat het het allerbest is moedermelk te geven. Dit gaat ook vaak bij kinderen, wier moeders inde kliniek zijn, maar meestal kunnen de vrouwen niet lang genoeg blijven, tot haar kinderen het gewicht bereikt hebben, waarop zij gewoonlijk worden ontslagen. En wij zijn ongelukkig genoeg nog niet zoo ver als in Parijs, waar men bij de „Service des débiles” inde Maternité vastaangestelde minnen heeft, die een tijdlang, behalve haar eigen kind 2 of 3 praematuur geboren kinderen voeden '). Bij kinderen van onder de 1800 gr. is er geen sprake van, dat zj de melk dadelijk uit de borst nemen, tenzij men een voedster vinden kan, die bijzonder goed ontwikkelde tepels heeft en bij wie de melk door de geringste zuigkracht uit de borst toeschiet. Is dus bij ons een onvoldragen kind geboren, dan zijn er twee verschillende manieren, waarop wij het moedermelk geven. Is het kindje heel zwak, dan kolven wijde borst der moeder uit en het kind krijgt deze melk óf uit de flesch óf met een lepeltje óf door de later te behandelen gavage. Het spreekt vanzelf, dat de onvoldragen zuigeling niet zoolang als zijn normaal op tijd gekomen lotgenoot op voedsel hoeft te wachten. Zoolang de moeder nog niet genoeg heeft, krijgt hij óf melk uiteen andere borst gekolfd óf kunstmatige voeding. Is het kind wat sterker, dan is toch de i) L’Obstétrique. Septembre 1899. Pag. 433. Sur I’alimentation des enfants débiles. Pierre Budin.

302

Sluiten