Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naam op zich zelf niet juist is, en dat het beter is in zulk een geval te spreken vaneen „hymen occlusum” dan vaneen hymen imperforatum. Ik werd als van zelf tot deze opvatting geleid door de ontwikkelingswijze dezer membraan, zooals ik die hiervoor geschetst heb. Want de hymenale opening is een primaire opening die in het jongere foetale leven relatief wijder is dan ineen meer gevorderd stadium. En op welke wijze zulk een hymen occlusum ontstaat is gemakkelijk in te zien. Men houde toch wel in het oog dat het hymen uiteen parigen aanleg ontstaat, en dat de beide oorspronkelijk zelfstandige helften, de plicae hymenales onderling inde mediaanlijn vergroeien. Zooals ik dit heb beschreven, geschiedt deze vergroeiing doordat de beide hymenaalplooien langs den achterwand naar elkander groeien. Bij de normale vorming van elk hymen grijpt dus reeds een samensmelten van twee oorspronkelijk gescheiden deelen plaats. Men heeft zich nu slechts voor te stellen dat dit vergroeiingsproces niet tijdig eindigt, doch progressief blijft, dan wordt dus de hymenale opening allengs kleiner, er ontstaat een hymen micro-perforatum, en eindelijk kan de hymenaal opening geheel gesloten worden, er is een hymen occlusum (misschien juister vagina occlusa) ontstaan. Ik geloof dat de hier gegeven verklaring van deze hymen-anomalie op de algemeen geldende wel iets voor heeft. Ten eerste toch is het nu zeer goed begrijpelijk waarom bij een atresia vaginae niet de minste verdere afwijking inde ontwikkeling van het onderste deel der vagina te constateeren is, wat toch wel verwacht worden kan wanneer men de atresie verklaart door het uitblijven der perforatie van den Mullerschen heuvel. Inde tweede plaats zijn tot nu toe vaginaal-atresieën alleen bij den mensch bekend. Toch vormt zich bij elk zoogdier een Mullerschen heuvel. Waarom zou dan alleen bij den mensch een perforatie kunnen uitblijven? Het is voorts bekend dat alleen bij den mensch een hymen voorkomen zou (Ik geloof dat dit niet geheel juist is, bij apen vind ik wel degelijk ook de beide hymenaalplooien, en ik vermoed dat bij sommige apen der nieuwe wereld, deze beide plooien ook langs den achterwand der vagina tot vergroeiing komen). In elk geval echter is de vergroeiing der beide plooien tot de enkelvoudige membraan bij den mensch phylogenetisch als een progressief verschijnsel op te vatten. Atresia vaginae bij den mensch zou dus niet zijn een remmingsverschijnsel inde ontwikkeling, doch juist een te ver voortschrijden vaneen phylogenetisch reeds progressief verschijnsel. Deze attresie zou dus meer overeenkomst vertoonen met een atresia oesophagi dan met een atresia ani. Dat het hymen normaliter dooreen vergroeiing ontstaan is, wordt

318

Sluiten