Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het eene geëxstirpeerde adnexum is een sinaasappelgroote tumor, bestaande uiteen verdikte, met bloed gevulde tuba, welke ter hoogte van bet fimbriaeinde uitmondt ineen met coagula en fibrine gevulde holte; en een cysteus gedeelte, dat de grootte van twee kastanjes beeft. De buitenoppervlakte hiervan is glad behalve enkele promineerende knobbeltjes, welke, op doorsnede kleine follikels blijken te zijn, zoodat hiermede zich dit gedeelte als ovarium laat herkennen. Het eerst vermelde, grootste deel van den adnextumor heeft het typische voorkomen vaneen tubairabortus. Op doorsnede blijkt de cysteuse tumor grootendeels te bestaan uiteen uniloculaire cyste en voor een klein gedeelte uit normaal ovariaalweefsel, waarin een enkele follikel te zien is. De inhoud der cyste is een geleiachtige, lichtgeel gekleurde vloeistof. De binnenoppervlakte is op enkele plaatsen glad maar heeft overigens een meer fluweelacbtig voorkomen, dat veroorzaakt wordt dooreen ± één m.M. dikke membraan, welke gemakkelijk van de buitenste laag van den cystewand losslaat. Microskopisch bestaat de wand van buiten naar. binnen uit de volgende lagen: De buitenste laag wordt gevormd door vrij dicht gevlochten bindweefselfibrillen, welke weinig kernen bevatten en door enkele lymphspleten van het ovariaalstroma gescheiden zijn. Haar bet lurnen der cyste volgt daarop een laag uit groote cellen bestaande, welke verschillend van dikte is. Op enkele plaatsen liggen verscheidene, op andere plaatsen één of twee cellen boven elkander. Het zijn duidelijk luteinecellen met groot protoplasmalichaam en een flinke kern, welk protoplasma met von Grieson’s kleurmethode donkergeel gekleurd wordt. De geheele cellenlaag maakt echter door het ontbreken van de kernen in vele cellen en de wazige omtrekken der cellichamen den iudruk van gedegenereerd te zijn. Op deze tweede laag volgt als binnenste bekleeding een structuurlooze lichtrood of oranje gekleurde membraan , welke echter niet onafgebroken de binnenoppervlakte der cyste bedekt en, zooals boven reeds gezegd, gemakkelijk van de onderlaag loslaat. Op sommige plaatsen vormen dus de luteinecellen de directe bekleeding der cysteholte, op andere plaatsen worden ze door deze structuurlooze laag daarvan gescheiden. Inde cysteholte en in deze structuurlooze laag liggen vele meer of minder goed geconserveerde van de onderlaag losgelaten luteinecellen. Op doorsneden vaneen ander gedeelte van den wand zijnde luteinecellen bijna geheel verdwenen op enkele eilandjes van 4—5 cellen na, zoodat de bekleeding der cysteholte daar dus direct door de buitenste fibreuse laag gevormd wordt,

26

Sluiten