Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De door Praenkel onderscheiden vier soorten zijn dus niets anders dan verschillende ontwikkelingsstadiën. Uit deze opvatting volgt logisch het besluit, dat luteinecysten spontaan moeten kunnen verdwijnen. Wanneer het epitheel te gronde is gegaan, zal de cystevloeistof in korter of langer tijd, al naar gelang de dikte van den omgevenden wand en de circulatieverhoudingen, geresorbeerd worden en van de cyste niets anders overblijven dan een corpus albicans. Deze beschouwing vindt steun inde volgende klinische waarneming : Een vrouw van 23 jaren, die een jaar geleden een voldragen kind, 5 weken geleden een mola hydatidosa had ter wereld gebracht, werd wegens voortdurende bloeding inde kliniek gezonden. Ze was zeer anaemisch, bloedde echter slechts weinig. De bloeding hield van zelf op en eischte geen verdere maatregelen. Wij vonden een ietwat vergrooten, weeken uterus in anteflexie en aan weerszijden daarvan een zeer bewegelijke slappe ovariaalcyste, de eene ter grootte vaneen sinaasappel, de andere vaneen flink kippenei. Bij de klinische demonstratie veroorloofde de slappe buikwand deze cysten den verschillenden onderzoekers als het ware inde hand te geven. De diagnose werd gesteld op „vermoedelijk cystomata ovarii”, maar tevens in aanmerking genomen, dat de voorafgegane mola aan de mogelijkheid van luteinecysten moest herinneren. Daar de familieverwantschap tusschen follikel- en luteinecysten het denkbaar maakte, dat de laatste zoowel als de eerste spontaan kunnen genezen, werd het voor deze jonge vrouw zoo pijulijke vonnis van castratie opgeschort en tot een behoorlijken tijd van afwachten, in klinische observatie, besloten. Na een maand waren beide cysten spoorloos verdwenen, inplaats daarvan twee normale ovaria getreden. Inde spoedig daarop gevolgde zwangerschap en na de bevalling konden wij ons herhaaldelijk ervan overtuigen, dat de eierstokken hun normale grootte behielden. Het bewijs, dat dit luteinecysten en geen follikelcysten zijn geweest, kan natuurlijk niet worden geleverd. Maar deze waarneming spoort toch aan tot verdere onderzoekingen in deze richting. Een analoog geval is het volgende: Toe. n°. 171- 1901. Een ongehuwde vrouw van 24 jaar, die 21 Juli het laatst menstrueerde, werd 2 Dec. 1901 inde kliniek opgenomen, omdat ze sedert zes weken braakte, sedert drie weken voortdurend bloedde. Sedert twee weken had ze oedeem der onderste ledematen en voelde zich algemeen zwak en ellendig. De urine bevatte 3°/0o eiwit en cylinders, wat door bedrust en doelmatig dieet niet verbeterde: den 16en Dec. steeg het eiwitgehalte zelfs tot 8 a 9°/00. Den 20en Dec. werd een mola hydatidosa uitgedreven. Hieraan sloten

45

Sluiten