Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neemt mot de hyperaemio van liet orgaan ook de bloeding af en onderstellen wij dat ook de sljjmvlieshypertrophie zal zijn geweken. Toch rijst hierbij de vraag of de bloeding wel iets met de slijmvlieswoekering heeft te maken en of zij niet direct afhankelijk moet worden gesteld van de veneuze hyperaemie der baarmoeder. Er is een andere afwijking der baarmoeder waarbij bloedingen . tot inden hoogsten graad, het hoofdsymptoom vormen n.l. de groote, dikke, vaste baarmoeder der oudere vrouwen, de thans weer meer gewaardeerde „chronische metritis”. Toen men meende dat bij deze aandoening de bloeding afhing van den pathologischen toestand van het endometrium heeft men tallooze malen den uterus gecuretteerd. Soms kreeg men dan bij mikroskopisch onderzoek een gewoekerd, dikwijls echter een atrophisch slijmvlies te zien, maar steeds vond men inde diepere lagen van de mucosa en nog dieper, tusschen de spiervezelen, ziekelijk veranderde bloedvaten. Inden geëxstirpeerden uterus bleek dan door den geheelen wand heen de wand der arteriën sclerotisch (angiodystrophia uteri). Het is duidelijk, zooals trouwens reeds vroeger door Theilhaber e. a werd aangetoond, dat de bloedingen hier niet te wijten zijn aan den toestand van het slijmvlies maar wèl aan de verandering der bloedvaten inde muscularis. Wij zullen dus bij bloedingen uit den uterus inde allereerste plaats méér dan vroeger hebben te letten op veranderingen in het stroma van het slijmvlies en op veranderingen inden spierwand van den uterus zelf. Aan geringe, diffuse vergrootingen van het corpus uteri moet grooter beteekenis worden toegekend dan inden regel gedaan wordt. Meer dan vroeger zullen wij nu na nauwkeurig onderzoek en proefcurettage moeten erkennen dat aan den uterus zelf geen afwijkingen zijn te constateeren. Te frequente en te profuse menses moeten dan uiteen extra-uterine oorzaak worden verklaard. Men heeft inde eerste plaatste denken aan de ovaria. Hier schijnen veranderingen in het epitheel (epitheliale nieuwvormingen) minder grooten invloed op de menstruatie uitte oefenen, dan veranderingen in het stroma (chronische oöphoritis, angiodystrophia ovarii). Dat uterusbloeding direct afhankelijk kan zijn van ontsteking der ovaria, zou indien de observatie van Hitsohmann juist is op duidelijke wijze blijken bij de subacute gonorrhoë. Zoolang het ontstekingsproces beperkt blijft tot den uterus is er geen versterkte, eerder vertraagde (postponeerende) en verminderde menstruatie, zelfs bij overgang op de tubae en vorming van pyosalpinx ontbreekt meestal de menorrhagie; daarentegen ontstaan hevige en hardnekkige bloedingen wanneer de adnex-tumor een ovariaalabsces in zich sluit.

56

Sluiten