Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegens het daaruit voortvloeiende oponthoud afzien en beoordeelde de passage zonder verder onderzoek naar de herkomst. De uitdrukking „dat men het er in Europa vrijwel over eens is, dat de opleiding der vroedvrouw aldaar onvolkomen is” meende de Commissie zoo te mogen interpreteeren dat met „Europa” Nederland bedoeld is en daarom heeft zij zich bepaald tot hetgeen de Nederlandsche vroedvrouwen betreft. Zij deed dit temeer, omdat zij meende dat het, al mocht wellicht niet bepaaldelijk het Moederland maar inderdaad „Europa” bedoeld zijn, alleen haar taak was de waarde van de uitspraak althans voor de Hollandsche vroedvrouw niet klakkeloos te laten passeeren. De toestanden in andere landen blijven dus buiten beschouwing. Ten einde de meening vaneen aantal personen, die ervaring omtrent onze vroedvrouwen bezitten, te leeren kennen, werd eene circulaire gezonden aan de 71 leden Uwer Yereeniging, waarvan 33 werden beantwoord. Yerder werden de heeren Den Hou ter, Yan der Hagen, Hamburger en G. Oos ter baan, Inspecteurs van de Volksgezondheid, nitgenoodigd van hunne ervaring te willen doen blijken, terwijl daarnevens inde vergaderingen van enkele Afdeelingen der Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, waar geneeskundigen van stad en land bijeen waren, een oordeel werd gevraagd. Het resultaat van dit onderzoek en van de overwegingen der Commissie op grond van haar eigen ervaring, is geweest dat niemand een oordeel heeft uitgesproken, dat de passage in het Indische Rapport ook maar eenigermate zon billijken. Integendeel, zelfs volgens hen, die de opleiding nog voor verbetering vatbaar achten of herhalingsonderwijs noodig oordeelden, verrichten onze vroedvrouwen, uitzonderingen daargelaten, haar arbeid op verdienstelijke on voor de maatschappij nuttige wijze. Resumeerende meenen wij, dat de uiting in het Indische Rapport ten eenemale ongewettigd is ten opzichte van onze vroedvrouwen. En aangezien de blaam, op het nuttige instituut der vroedvrouwen geworpen, voorkomt ineen officieel stuk, dat eerlang door de Regeering in behandeling zal worden genomen, mcenen wij II in overweging te. moeten geven daartegen protest aan te teeltenen bij de Ministers van Koloniën en van Binnenlandsche Zaken, onder wie de opleiding der vroedvrouwen hier te lande ressorteert, opdat worde voorkomen, dat verkeerde voorstellingen doordringen. Nog zij hieraan toegevoegd, dat Uwe Commissie bij de ingestelde enquete de overtuiging heeft opgedaan, dat het wenschelijk ware na te gaan, in hoeverre de opleiding van de vroedvrouwen wijziging Ked. Tijdschr. v. Verlosk. en öynaeo. XVIII. 18

271

Sluiten