Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten wij hier in het midden laten; klinisch en pathologisch-anatomisch is deze ziekte ongetwijfeld een exces van het physiologisoh proces. Wij zien dus inde anatomische veranderingen van het baarmoedershjrnvlies gedurende den menstrueelen cyclus een proces, dat herinnert aan de geweldige metamorphose, die de mucosa inde zwangerschap ondergaat. In minder of meerdere mate ontstaat vóór iedere menstruatie een decidua, die tegelijk met de maandelijksche bloeding wordt afgestooten of wordt verteerd. Dat daarbij ook gelijksoortige biochemische processen als inde graviditeit een rol spelen, zal blijken uit de volgende waarnemingen omtrent het optreden van glycogeen inde normale uterus-mucosa. Reeds in mijn studie over het placentair-glycogeen (1907) heb ik er op gewezen, dat inde gecuretteerde slijmvliezen slechts in die gevallen glycogeen wordt aangetroffen, waarbij een duidelijke woekering der klieren op den voorgrond treedt. Yolgens de toen geldende opvatting werd die woekering nog beschouwd ais een pathologische hypertrophie en hyperplasie, en het kwam mij toen reeds vreemd voor, dat een biochemisch proces, zulk een belangrijke rol spelende bij de physiologische graviditeits-veranderingen, juist ineen ziek slijmvlies waargenomen werd. De na de ontdekking van Hitschmann en Adler verbeterde kennis omtrent de ware structuur van het normale slijmvlies heeft ook hier nieuw licht verspreid. Immers, wat pathologisch scheen, moest volgens de nieuwe leer als physiologische woekering opgevat worden: de glycogeenophooping in het gewoekerde slijmvlies kreeg aldus de beteekenis vaneen physiologisch verschijnsel. , Onder welke omstandigheden en op welke wijze komt normaliter het glycogeen in het baarmóederslijm vlies voor? Langen tijd waren de raeeningen daaromtrent verdeeld. Langhans en Lubarsch hadden het uterus-epithelium vol glycogeen gevonden, Brault daarentegen en aanvankelijk ook Gierke ontkenden de aanwezigheid dezer stof in normaal slijmvlies; de verschillende uitkomsten van het onderzoek zijn nu begrijpelijk; reeds GHerke vermoedde een samenhang met de maandelijksche periode; aangetoond werd dit verband ongeveer tegelijkertijd door Wegelin ') in Langhans’ laboratorium te Bern, door Aschheim 2) te Berlijn en door ons (Driessen3), Weygers4). 1) Zentr. 81. f. Allg. Path. u. P. Anat. Bd. 22. Heft 1. 2) Zentr. 81. f. Gyn. 1911 n°. 29. 3) Zentr. 81. f. Gyn. 1911 n°. 37. 4) Feestbundel Prof'. H. Treub. 1912.

160

Sluiten