Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit zondenregister moge op ruim 250 keeringen en het groot aantal malen, dat de placenta werd losgemaakt, niet lang zijn, het toont niettemin, dat men, hoe men ook met de gevaren vertrouwd moge zijn geraakt, steeds op zijn hoede moet blijven. De beide rupturen na hooge tangextractie wijzen op een gevaar der hooge tang, dat haar niet al te zwaar mag worden aangerekend. Met betrekking tot de 13 spontane uterus-rupturon zij het volgende opgemerkt: 2 maal was hydroccphalus de oorzaak. 2 maal barstte het litteeken vaneen vroegere ruptuur bij staande vliezen en volkomen ontsluiting. 2 maal was bekkenvernauwing de rechtstreeksche oorzaak; eenmaal trad de ruptuur op bij een sterke voorstewandbeenligging en eenmaal bij een achterstewandbeenligging. In het laatste geval echter was het O. U. S. reeds overrekt door de stevige voohtblaas, die een half uur te voren gebroken was. 3 maal trad ruptuur op bij onvolkomen ontsluiting en afgeweken stuitligging, die tweemaal veroorzaakt werd door placenta praevia lateralis en eenmaal door bekkenvernauwing. 5 maal was bij vrouwen, die reeds eerder kinderen hadden ter wereld gebracht, na do laatste zwangerschap gecuretteerd o. a. in het zoo even genoemde geval van placenta praevia met afgeweken stuitligging. Inde 4 andere gevallen trad de ruptuur reeds op bij het begin der haring voor het afloopen van het vruchtwater. In 2 gevallen bestond waarschijnlijk dwarsligging. Voeg ik hierbij, dat in het geval van bekkenvernauwing en onvolkomen stuitligging, evenals in dat vandoor keering veroorzaakte violente ruptuur, rotting in utero bestond met koude rillingen en hooge temperaturen, dan heb ik daarmede alle bekende in aanmerking komende aetiologische momenten genoemd. Uit deze opsomming komen twee dingen naar voren; inde eerste plaats het geringe aantal rupturen bij bekkenvernauwing. Dit is bij het groot aantal bekkenvernauwingen, 1756, te opmerkelijker, aangezien daarbij de conservatieve behandeling zoo streng mogelijk werd doorgezet. De beteekenis van de inklemmiug van het O. U. S., waaraan zoo groot gewicht wordt gehecht bij het mechanisme der ruptuur, houd ik daarom voor sterk overdreven. Yan veel meer belang is dan ook de ongelijkmatige rekking van het O. U. S. zooals die bij het geval van voorste wandbeenligging zoo duidelijk aan het licht kwam. Inde tweede plaats is het merkwaardig, dat de vier vrouwen, die reeds bij het begin der haring een ruptuur kregen, en de vrouw

206

Sluiten