is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, jrg 17, 1941, no 40, 12-12-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vragen onze aandacht in een stad!

Groningen is bekend door een ruime bouw van straten en pleinen, den vreemdeling imponeerend door een onbekrompenheid, waarover zelfs Arth. van Schendel eens met bewondering schreef. Direct bij aankomst uit het hoofdstation krijgt men het vrije gevoel, dat slechts weinige groote steden kunnen schenken. Maar... de ingewijde weet ook de nauwe, oude straatjes, gangen, steegjes te vinden, die als 't ware vergeten liggen weggestopt vlak bij de hoofdstraten — buurtjes met een eigen karakter, met een eigen geschiedenis en soms met wonderlijke namen, die in „doopregister" op het stadhuis niet te vinden zijn. Het volk zelf heeft ze gedoopt en soms was de aanleiding maar een kleinigheid, als b.v. een herberg, een gevelsteen, een familie, de ligging dicht bij de wal of muur, een ambacht of een handeltje. Men kan bij het dwalen door zulke oude „passages" genieten van het pittoreske, dat de tijd hier grifte in gevel en dak, maar als men daarbij tevens iets weet van de naamsoorsprong, wordt de interesse nog grooter. Groote winkelpaleizen lokken de bezoekers van buiten hier wel niet, maar toch adviseeren wij hen, om deze

„kleinen onder de grooten" ook eens met hun bezoek te vereeren, want zij maken immers het beeld der binnenstad eerst volledig! Laten we eens zien

Alleen al in 't Zuidelijk stuk der stad dringen zich vele vragen aan ons op. Waar is de Battengang b.v. en wat beteekent die naam?

Ja — als men 't weet, is 't eenvoudig: daar woonde in de 16e eeuw een familie Battinck in het zijstraatje van de Steentilstraat.

Ruim een eeuw later werd er zelfs een Gasthuisje gesticht door de huisvrouw van Rudolphus Fransen, zooals een gevelsteen nog te lezen geeft. De Kostersgang vlak er bij zal eens bewoond

zijn geweest door een eerwaarden kerkdienaar, gelijk de Veulsgang (vroeger „Beulsgang") door den stadsbeul, die meestal in een „achterafje" resideerde!

De naam „Dolhuisgang" (achter het St. Anthonie-gasthuis) voorspelt ook niet veel goeds. Hij voerde naar een deel van dit gesticht, dat eens diende tot „bewaarplaats" van de arme geesteskranken, die vroeger met weinig mededoogen behandeld werden.

De Bleekersgang aan 't Zuiderdiep lag bij de bleekerijen in den tijd, toen hier nog ruimte was;

Dolhuisgang.... op waschdag.

De Ekkelboomengang bij de Nieuwstad.

Rechts: Kostersgang — populair door de daar gevestigde „Droge Kroeg" of 't Geheelonthouders-gebouw.

Het Tingtangstraatje in 't hartje van de stad.

Lissabonsteeg, waar geen doorgaand verkeer een aanval zal doen op het wasch-rek!

De Donkersgang lijkt niet meer dan een sleuf tusschen de huizen,