is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 3, 22-01-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat men het puin lange tijd onaangeroerd heeft gelaten is men thans begonnen met de verwijdering ervan. Deze foto werd gemaakt te Düsseldorf.

Wij mogen echter hopen, dat de Westelijke geallieerden en speciaal Engeland en Amerika de nodige lessen hebben getrokken uit het verloop van zaken in de dertiger jaren. Enerzijds willen zij Duitsland de kans geven zich te herstellen en weer een volwaardig lid te worden van de Europese gemeenschap, maar anderzijds zien zij toch wel in, dat een langdurige controle nodig is om te voorkomen, dat dit herstel zal worden misbruikt voor een heerszuchtige politiek.

Sedert het einde van de vijandelijkheden hebben wij thans vier maal een bezoek gebracht aan Duitsland en wij verkeerden dus wel in de gelegenheid te zien hoe de algemene toestand zich ontwikkelde. Thans echter was de indruk wei

heel sterk verschillend van die der vorige drie keren. De doffe stemming van lusteloosheid en ellende was verdwenen. De zwarte handelaars, die vroeger pleinen en straten bevolkten, waren nu voor een belangrijk deel verdwenen en in plaats daarvan waren de lege uitstalkasten van winkels gevuld met allerlei waren. Het oorlogspuin, dat jaren lang onaangeroerd had gelegen, werd nu met schop en grijper aangepakt, de dode fabrieksschoorstenen rookten weer, in de havens van de Rijn heerste weer een druk scheepvaartverkeer, de mensen zagen er niet meer ondervoed uit en in hun blik was weer iets van leverftmoed. Een rondvraag heeft trouwens onlangs uitgewezen, dat de bevolking van West-Duitsland optimistisch gestemd is ten aanzien van de toekomst.

Dit alles wil allerminst zeggen, dat reeds van echte voorspoed gesproken kan worden. Het gaat slechts om de eerste tekenen van herstel. Nog steeds heeft de Duitser zorgen, welke vergeleken kunnen worden met die welke wij kort na de be vrijding hadden. Er komen inderdaad weer produc^n aan de markt, maar zij zijn zó duur, dat de meeste arbeiders er slechts weinig van kunnen kopen. Nog steeds is het gebrek aan kleding en allerlei huishoudelijke behoeften groot en het voedsel is allesbehalve rijkelijk. Een West-Duitser moet het stellen met 100 gram vlees per week, 150 gram boter, 30 gram kaas, 125 gram suiker, terwijl hij per dag een halve liter taptemelk mag kopen. Zijn weekloon bedraagt ongeveer 30 tot 40 mark per week (alleen mijnwerkers verdienen ongeveer vijf-en-zestig mark) en als hij een paar schoenen wil kopen kosten die hem 35 mark; een eenvoudige jurk voor zijn vrouw komt op 80 mark. Wanneer het een en ander toch een belangrijke verbetering betekent in vergelijking met bijvoorbeeld een jaar geleden, dan kan men hier alleen maar de conclusie uit trekken, dat het toen wel heel erg met de Duitsers gesteld moest zijn. Zo was het ook. De eerste drie na-oorlogse jaren leven in hun gedachten voorl als een nachtmerrie, waarvan zij eindelijk verlost zijn.

Thans werkt de Duitser, die van nature immers ijverig en volhardend is, aan het herstel, en iri de komende maanden van 1949 zal het buitenland — en Nederland niet op de laatste plaats — dit heel duidelijk gewaar worden. Dit herstel zal niet alleen Duitsland, maar voorlopig zeker ook geheel West-Europa ten goede komen.

De fabrieken van dc I. G. Farben te Frankfurt voeren hun productie op. Zo is het overal: de schade wordt gerepareerd en de machines draaien weer.

Zal dit Duitsland, eenmaal weer op de been gekomen, opnieuw een gevaar voor de vrede vormen? Het is een vraag, die telkens weer oprijst en men kan er naar zijn aard en zijn opvattingen verschillend op antwoorden. Laten wij echter besluiten met een verklaring weer te geven, die de Nederlandse oud-minister prof. dr. ir. H. Gelissen onlangs aflegde:

„Bij het beoordelen van het Duitse vraagstuk moeten wij ons niet laten leiden door de angst, maar door de realiteit, en dus Duitsland weer zo spoedig mogelijk opnemen in de gemeenschap der Europese volkeren. Wellicht zal zich de geschiedenis ook in die zin herhalen, dat de vijand van gisteren de bondgenoot van morgen wordt."

Een stemmingsbeeld, dat voor geheel WestDuitsland kan gelden: arbeid tussen de rutne». Op de brug onderscheidt men een oorlogsinvalide met één been.