is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 9, 05-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe was dat dan toch mogelijk. Hij had hen toch duidelijk gezegd, dat zij hier geen voet meer in het huis behoefden te zetten en toch lag het geld daar op de zelfde plaats waar het eerst gelegen had.

Hij ging aan de tafel in de waranda zitten en begon de biljetten te tellen. Plotseling ontdekte hij, dat de omslag, waarin de bankbiljetten gezeten hadden en sommige briefjes aan de hoeken besmeurd waren met iets donkers, dat veel op bloed geleek.

Maar waren het dezelfde briefjes wel als die hij kwijt geraakt was? Hij had er geen aantekening van gemaakt van wat hij daar ontvangen had.

* Hij besteedde gewoonlijk niet zoveel tijd aan dergelijke onbelangrijke dingen; hij nam het geld dus van de plank en stuurde Ali naar het dorp om de arbeiders te zeggen, dat zij hun loon in ontvangst konden nemen. Dit was altijd een langdurige en vervelende geschiedenis en meestal liet John het dan ook over aan Majid. Maar de oude Maleier was nog niet van het station teruggekeerd. Hij moest het dus zelf doen. Hij was net klaar, toen het gerammel van de oude auto Majids terugkeer aankondigde.

De oude man zag er ontdaan uit en hij had diepe rimpels in zijn voorhoofd. „Is er iets gebeurd of heb je soms narigheid met de wagen gehad, Majid?" informeerde John, terwijl hij de trap afliep. „Je bent laat terug. Ik had gedacht dat je vroeger thuis kon zijn, nadat je mevrouw bij het station had afgezet."

„Ik heb mevrouw naar de trein gebracht, maar op de terugweg heeft het noodlot me parten gespeeld in de vorm van een boom, die over de weg was gevallen. Ik ben er met de auto tegen op gereden," vertelde Majid enigszins verbijsterd, „en het spatbord is wat ingedeukt, Toewan. Maar ik denk wel dat ik dat gemakkelijk zal kunnen maken." De klap, die de inboorlingen hem bij het ontvoeren van Heather hadden gegeven, hadden een tijdelijk geheugenverlies veroorzaakt en hij zag het verhaal, dat hij John opdiste, zelf voor waarheid aan. Hij wist echter niets meer van wat er allemaal was voorgevallen. Toen hij uit zijn bewusteloosheid was ontwaakt, en zich het gebeurde voor de geest had trachten te halen, had hij zich niets kunnen herinneren. Hij wist nog wel, dat hij order had gekregen de missus op de trein naar Singapore te zetten — en dat moest dan ook zijn geschied.

„Het is in orde, Majid. Ga maar eten en dan moet je gaan slapen," zei John vriendelijk. „Voor vandaag zal Ali me wel bedienen."

Ali was buitengewoon trots op deze promotie en vergat bijna de zorgen, waardoor zijn jeugdig bestaan werd gekweld. Toen hij echter na zonsondergang Johns buurman, mr. Johnson, binnenliet, kwamen zij met hernieuwde kracht terug. „Toewan broer is niet hier," hoorde John hem de planter ernstig uitleggen. „Hij weggegaan, komt nooit meer terug. Grote Toewan niet weten waar broer is verstopt." „Wat heeft al dat gepraat te betekenen, Ali?" vroeg John ongeduldig.

„Hallo Johnson! Blij je weer eens te zien. Ook een borrel?"

Johnson schoof het glas heen en weer over de tafel en aan zijn ernstig gezicht kon John zien, dat hij hier niet alleen voor een genoegelijk buurpraatje was gekomen. „Kijk eens, John," zei hij eindelijk, „ik kom hier eigenlijk voor Ken. Waar is die heen gegaan?" „Ik denk naar Singapore," antwoordde John.

Hij sprak op zijn normale, enigszins slome toon, maar zijn hand trilde

■'EATHER BOLTON, is op reis naar Malakka. Nu zal ze met Ken in Singapore trouwen. John Harker, een broer van Ken, haalt haar af. Er komt bericht, dat Ken gedood is. John trouwt met Heather. Ken keert echter terug. Een inlandse vrouw (Suleima) valt Heather aan, maar John redt haar. Ken insinueert dat John met deze vrouw een verhouding had. John zegt Ken, nooit meer op de plantage te komen. Ken lokt John van de plantage weg met een telegram. Heather gaat John 's avonds tegemoet. Ken wacht haar dan op. John komt thuis en ziet dat Ken de brandkast leeggestolen heeft. Hij hoort van de ontmoeting tussen Ken en Heather. Hij stuurt nu ook Heather weg. Op weg naar Singapore wordt Heather overvallen en naar het dorp van de Rangungah gebracht.

en hij wendde zijn gezicht af, zodat Johnson de kleur niet zou zien, welke hem naar de wangen steeg bij de gedachte aan zijn vrouw, die nu in de stad zijn broer zou ontmoeten.

„Naar Singapore, zeg je?" herhaalde Johnson. „Maar hoe is hij dan naar het station gegaan?"

„In jouw wagen toch?" vroeg John, een sigaar opstekend.

„Welnee. Mijn auto is gisteravond gevonden op een open plek in de jungle, vlak bij zijn huis. Een van mijn bedienden heeft hem terug gereden," vertelde Johnson bezorgd. „Als de jongeheer Ken soms weer eens de jungle is ingetrokken, hoeft hij niet meer op mijn plantage terug te komen. Ik heb meer dan genoeg van zijn onverantwoordelijke manier van doen. Zeg hem dat maar uit mijn naam."

,.Ik ben bang, dat ik mijn broer in de toekomst nooit meer zal spreken," zei John hard. „Het spijt me, dat dit is gebeurd, Johnson. Als ik niet had gehoopt, dat Ken zich zou verbeteren en dat zijn gedrag bij jou behoorlijker zou zijn dan bij mij, zou ik je nooit hebben gevraagd, hem in huis te nemen." „Nu, hij is geen steek veranderd, ouwe jongen. Maar om je de waarheid te vertellen, ben ik blij, dat ik nu een excuus heb om van hem af te komen. Hij heeft zich niet bepaald gedragen als iemand die je als getrouwd man graag in huis hebt, zie je."

„Je bedoelt toch niet, dat de slungel je vrouw met zijn attenties heeft lastig gevallen?" vroeg John, terwijl hij een kleur kreeg van woede. „Nee, zo erg was het niet," stelde Johnson hem gerust. „Maar dat Inlandse meisje heeft aldoor om de deur gehangen, en een van de huisjongens heeft me verteld dat ze een nacht in Kens kamer heeft doorgebracht. Ik was eigenlijk van plan geweest om Ken er flink van langs te geven, als hij weer was komen opdagen."'

„Misschien is hij wel naar het dorp gegaan, naar Suleima," veronderstelde John. „Ik weet het heus niet

en het interesseert me ook verdraaid weinig. Ik ben van mening, dat je hem in Singapore zoudt kunnen vinden, en ik zal je de naam van een hotel geven, waar je je wel nadere inlichtingen over mijn broer zullen kunnen verstrekken." Hij schreef een adres op een stukje papier.

„Bedankt. En tot ziens, John. Doe de groeten aan je vrouw, wil je?" verzocht Johnson. Hij keek even om ziqh heen alsof hij hoopte nog 'n glimp van Heather op te vangen. „Merci — en jij de groeten aan jouw vrouw," antwoordde John.

Vandaag of morgen zouden de Johnsons toch te weten komen, dat Heather en hij uit elkaar waren gegaan, maar nu kon hij de ellendige waarheid nog niet vertellen. Kort nadat Johnson afscheid had genomen kwam de post, wat Johns aandacht een beetje afleidde. Nadat hij een aantal zakenbrieven van zijn klanten had geopend, nam hij enige handelsbladen mee naar binnen om ze daar, zoals zijn gewoonte was, zorgvuldig te bestuderen. Op zijn bureau placht een klein smal Maleis mes te liggen, waarmee hij altijd de banden om de kranten lossneed. Gedachteloos strekte hij zijn hand uit om het mes te pakken,

maar zijn arm bleef doelloos in de lucht zweven: het mes lag er niet meer! Wie zou de brutaliteit hebben gehad om zijn persoonlijke bezittingen te lenen? John klapte ongeduldig in de handen en Ali rende naar binnen. Driftig wees John op het bureau. „Waar heb je de kris neergelegd?" vroeg hij ongeduldig. „De kris?" herhaalde Ali dom.

Hij stond te trillen op zijn benen en hij verschoot van kleur. Nog nooit had John iemand de schuld zo duidelijk van het gezicht kunnen lezen. „Je hebt de verleiding niet kunnen weerstaan en je vernederd tot het bestelen van je meester," zei hij streng. „Ik hoor je eigenlijk te ontslaan en de zaak aan de politie voor te leggen. Maar omdat je nog zo jong bent zal ik dat niet doen. Als je de kris hebt verkocht moet je hem ten koste van alles van de huidige eigenaar terugkopen. Ik verwacht, dat het mes morgenochtend weer op zijn plaats ligt."

Terwijl Ali de kamer uitsloop stoot hij een paar onsamenhangende klanken uit, die John voor dankwoorden aanzag.

Maar de volgende ochtend was het mes nog niet terug en was Ali verdwenen.

„Ik smeek je om je in veiligheid te stellen."

„Lieve Heather. — We betwijfelen hier enigszins of Ken werkelijk zoals hij stellig van plan was, naar Singapore is gegaan. Als je je in financiële moeilijkheden bevindt moet je je met mij in verbinding stellen, dan zal ik je sturen wat je nodig hebt. Je je toegenegen

JOHN HARKER."

John zuchtte diep, terwijl hij zijn handtekening onder het koude, nietszeggende episteltje zette. Hij zou onmogelijk hebben kunnen zeggen. waarom hij Heather schreef, want persoonlijk was hij er van overtuigd, dat Ken toch op een of andere manier het station had weten te bereiken en naar Singapore was afgereisd. Misschien

schreef hij omdat hij wist hoe weinig verantwoordelijkheidsgevoel Ken had; misschien omdat Johnson gesproken h^d over de betrekkingen tussen Kén en Suleima en misschien ook was het zijn liefde voor Heather die hem de kans deed aangrijpen om weer in contact te komen met de vrouw die hij had weggestuurd. Hij plakte de brief dicht en liet hem wegbrengen door de Maleise jongen, die Ali's plaats had ingenomen. Een ogenblik verbeeldde hij zich dat de jongen hem enigszins bevreemd aankeek toen hij de envelop aanpakte. Maar John dacht er niet verder over na; hij zette zijn tropenhelm op en ging op weg naar het arbeidersdorp.

Wanneer hij anders bij het dorp kwam, kwam hem een opgewekt leven tegemoet. De vrouwen riepen met hun schelle stemmen hun kinderen tot de orde of roddelden onder het koken van het eten, dat buiten gebeurde, terwijl de mannen zongen. Ook nu verwachtte John de drukte van een in tevredenheid levend inlands dorp te horen.

Maar er heerste een doodse stilte. Wat was er gebeurd? Het dorp was geheel verlaten. De deuren stonden open en elke hut was volkomen leeg. Er was geen man. vrouw of kind meer te zien. Ze hadden 's nachts blijkbaar hun hebben en houwen bij elkaar gepakt en de plantage verlaten.

John stond voor een raadsel; bezorgd ging hij naar de bungalow, waar hij Majid bij zich ontbood. „Waarom hebben de werklui me in de steek gélaten?" vroeg hij, de oude man strak aankijkend. „Ik heb ze toch altijd goed behandeld, en ik heb hun goed eten en een behoorlijk loon gegeven. Waarom zijn ze weggegaan, juist nu we het zo druk hebben?"

„Ik het niet weet, Toewan," zei Majid.

Maar aan zijn gezicht kon John zien, dat hij wèl de reden van deze' algehele uittocht kende.

„Verkoop me alsjeblieft geen leugens," verzocht John streng. „Wat weet je van dit alles af? Ik heb toch zeker wel het recht om te weten wat er aan de hand is? Spreek dan, maar spreek niet anders dan de waarheid."

,,U weet het zelf, meester," onderbrak Majid haastig. „U mag niet van een oude man verwachten, dat hij over zulke gevaarlijks dingen als bloedvergieten spreekt."

„Bloed? Wat voor bloed bedoel je?" vroeg John scherp.

(Wordt vervolgd)

Lees dit in géén geval!

Kijk, dat is nu eigenaardig,

Dat U dit tóch lezen gaat,

Ondanks 't feit, dat U toch zeker Las, wat of hier. bóven staat. Wat? Leest U nu tóch weer verder? Doe dat niet! Het heeft géén zin: Er valt niets voor U te lezen, Er staat hélemaal niets in.

Maar nóg is het niet te laat hoor, Hou alsnog met lezen óp,

Laat de kwestie hiermee uit zijn En zeg resoluut: ik stop.

Kijk, nu zijn we op de helft al! Ik begrijp niet, wat U wilt: Nogmaals: er valt niets te lezen, Wéérom dus Uw tijd verspild? Nü wordt het toch al te kras hoor: U leest tóch door! Inderdaad,

Want hoe zou U anders weten, Wat op deze regel staat?

Al is 't vers nu haast ten einde, Schei alsnog uit! Nóg is 't tijd!

Voor een grondige déceptie Neem ik géén v'rantwoord'lijkheid. En nü nog maar zéven regels, Ook daar zit niets in of bij,

Toon tenminste nü Uw wilskracht: Leg alsnog het vers op zij! Nee — tóch leest U het nog vérder,

Verder, tot het bitter end

Moet ik daaruit concluderen Hoe nieuwsgierig of U bent?

CLINGE DOORENBOS.