is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1927, 01-12-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK.

DE LAATSTE DER DRIE GEESTEN.

angzaam, zwijgend, ernstig, kwam de geest naderjl||f bij. Toen hij vlak bij Scrooge was, viel deze bevend op de knieën, want de geest maakte een angstwekkenden indruk. Hij was gekleed in een lang, zwart gewaad, dat het hoofd, het gezicht en geheel de gestalte zóó omhulde, dat alleen een uitgestrekte., hand zichtbaar was. Als dat niet het geval ware geweest, zou men den geest in de duisternis niet hebben kunnen onderscheiden !

„Zijt gij de geest van het Kerstfeest dat nog komen moet?" vroeg Scrooge.

Als eenig antwoord wees de geest met den vinger vóóruit.

„Zult gij mij laten zien, wat in de toekomst nog gebeuren zal?" ging Scrooge voort.

Het bovenste gedeelte van het zwarte kleed bewoog heel even, alsof het hoofd geknikt had ; dat was het antwoord, hetwelk Scrooge ontving. Ofschoon Scrooge nu wel 'n beetje gewoon geraakt was aan het gezelschap van geesten, was hij voor de zwijgende gestalte toch zóó bang, dat hij beefde op zijn beenen.

„Geest van de Toekomst!" riep hij uit. „U vrees ik meer dan de anderen die ik reeds gezien heb ! Ik weet echter, dat ge mij slechts weldaden wilt bewijzen, en omdat ik voortaan anders wil zijn dan vroeger, zal ik uw gezelschap dankbaar verdragen. Wilt ge tenminste niet één enkel woord tot mij spreken ?"

De geest antwoordde niet, en nog steeds wees de vinger recht vooruit.

„Ga mij dan maar vóór !" vroeg Scrooge. „De nacht gaat snel voorbij, en ik weet dat de tijd kostbaar is."

In het volgend oogenblik bevonden de geest en Scrooge zich op de beurs, waar de kooplieden zich druk bezig hielden met den handel. De geest bleef staan bij een groepje mannen, en ziende dat de vinger daarheen wees, luisterde Scrooge naar hun gesprek.

„Neen", zeide een groote man met een dubbel? kin, „ik weet alleen dat hij dood is."

„Wanneer is hij gestorven ?" vroeg een ander.

„Gisteravond, geloof ik."

„En wat heeft hij gescheeld?" vroeg een derde, terwijl hij een flink snuifje nam. „Ik dacht dat hij nooit dood zou gaan."

„Weet ik niet", antwoordde de eerste met een half onderdrukten geeuw.

„Wat heeft hij met zijn geld gedaan ?" vroeg een heer met gen rood, opgeblazen gezicht.

„Dat heb ik niet gehoord", zeide de man met de dubbele kin, opnieuw geeuwend. „Hij heeft het niet aan mij nagelaten, dat weet ik wel."

Deze geestige opmerking verwekte algemeene vroolijkheid.

„Het zal wel een goedkoope begrafenis zijn", merkte weer een ander op. „Ik zou werkelijk niemand weten, die meegaat."

„Ik wil wel meegaan", zei de heer met het roode gezicht, „als er flink wat te eten en te drinken is."

„Nou, dan heb ik eigenlijk nog meer reden", vond de man met de dubbele kin", „want ik geloof dat ik zijn beste vriend ben geweest; wij zeiden elkaar althans altijd goedendag, als we elkaar ontmoetten."

De heeren gingen verder, en Scrooge keek den geest vragend aan, een verklaring verwachtend. Hij kende al die menschen heel goed !

De geest gleed een straat in dicht bij de beurs, en

„Wat is dat?"

wees naar twee mannen, die elkaar ontmoetten. Ook die twee kende Scrooge heel goed ; menschen van beteekenis in de financieele wereld. Scrooge had altijd zijn best gedaan, om — vanuit een zakelijk oogpunt! bij hen in een goed blaadje te staan.

„Hoe gaat het?" vroeg de een.

„Dank u ! Met u ?"

„Goed," antwoordde de eerste. „Hij is er eindelijk tusschen uit, niet?"

„Dat heb ik tenminste gehoord", antwoordde de tweede, „Koud, vindt u niet?"

„Och ja, Kersttijd, nietwaar ? Rijdt u geen schaatsen ?"

„Neen. Ik heb wel wat anders te doen ! Goeden morgen !"

Dat was alles. Scrooge begreep er niets van. Over wien hadden ze het? Jacob Marley? Dat kon niet, die

„Hij is er eindelijk tusschen uit, niet?

was immers al jaren dood ! Hij besloot, goed op te letten en te luisteren, en vooral te kijken, als hijzelf op het tooneel zou verschijnen ; dat zou stellig wel de verklaring geven die hij behoefde. Hij richtte den blik op den ingang van de beurs ; op dien tijd van den dag stond hij altijd daar. Thans echter was die plaats bezet door een ander ! Hoe kon dat ?

Kalm en zwart stond de geest naast hem, en toen Scrooge opkeek, woelde hij, dat de oogen die hij niet kon zien, met strakken, kouden blik op hem gericht waren. Hij huiverde.

Zij verlieten het tooneel, en begaven zich naar een der vuilste stadsgedeelten. Bij een viezen uitdragerswinkel bleef de geest staan, juist toen twee smeriggekleede vrouwen en een man in al even vuile plunje den winkel binnengingen. De oude uitdrager wees hen naar een donker vertrek achter den winkel, en terwijl hij het vuur in een oude, gebarsten kachel oppookte, had een van de vrouwen reeds een bundeltje dat zij bij zich droeg, op den grond geworpen.

„Laat haar maar loopen !" zei de man met een listig knipoogje.

„Wat zou dat?" vroeg de vrouw uitdagend. „Ieder zorgt voor zichzelf! Dat deed hij immers óók ?"

„Nou, als er iets waar is, dan is het dat!" verklaarde de andere vrouw.

„Precies, en wie is er minder om het verlies van die paar dingen ? Die doode man toch zeker niet!"

„Dat zal wel niet," lachte de andere.

„Als hij ze had willen houden na zijn dood, dan had hij maar wat menschelijker moeten leven. Dan Zou er wel iemand in zijn laatste uren en na zijn dood voor hem gezorgd hebben, in plaats van dat hij daar nu heelemaal alleen lag, zelfs toen hij stierf."

„Dat is volkomen waar," gaf de andere toe, „hij heeft zijn verdiende loon."

„Ik wou dat ik er maar wat meer van had kunnen halen, dan zou ik het wel gedaan hebben," verzekerde de eerste. „Maak eens open, Joe, en laat zien wat het voor waarde heeft."

Maar de beide mannen wilden dat niet, en de man, die met de beide vrouwen meegekomen was, maakte eerst zijn pakje open. Er zat niet veel bijzonders in ; 'n paar zegelringen, een penhouder- en potlood-etui, een paar manchetknoopen en een dasspeld. Joe noemde het bedrag dat hij geven wilde.

„Wie volgt?" vroeg hij toen.

De tweede vrouw was aan de beurt. Lakens en handdoeken, wat lijfgoed, twee - ouderwetsche zilveren theelepels, een suikerschep en een paar schoenen. Ook voor haar noemde de uitdrager het bedrag dat de spullen hem waard waren.

„En nu mijn vrachtje, Joe," zei de eerste vrouw.

Joe ging op zijn knieën zitten om het pak gemakkelijker te kunnen losmaken, en haalde een rol donkere stof *te voorschijn.

„Wat is dat?" vroeg hij, en „Bed-gordijnen!" antwoordde hij zelf. „De ringen zitten er nog aan,

„ging hij voort. „Je wilt toch niet zeggen, dat je ze zoo hebt meegenomen, terwijl hij daar lag ?"

„Jawel," antwoordde de vrouw onbeschaamd. „Waarom niet?"

Joe hield 'n paar groote stukken linnen omhoog. „Zijn dat zijn lakens ?" vroeg hij.

„Ja, van wien anders ? Hij zal tóch geen last meer hebben van de kou, wel ? O, je moogt gerust probeeren, door dat hemd heen te kijken, je zult er geen gaatje of geen gesleten plek in vinden ! Het was het beste wat hij had ; als ik er niet bij geweest was, zouden ze het nog weggegooid hebben."

„Weggegooid?"

„Ja, ze hadden het hem aangetrokken om hem daarin te begraven," antwoordde de vrouw met een cynisch lachje. „Katoen is evengoed voor hem, en hij zal er heusch niet leelijker om zijn."

Vol afgrijzen luisterde Scrooge naar dat gesprek, en toen de opkooper het geld. uittelde dat hij geboden had, wendde hij zich met een gebaar van afschuw en weerzin om.

„Geest", zei Scrooge, bevend van het hoofd tot de voeten, „ik heb begrepen ! Het lot van dien ongelukkigen man had ook het mijne kunnen zijn. Mijn tegenwoordig leven zou geen ander einde kunnen hebben. Barmhartige Hemel, wat is dit ?

Hij deinsde ontzet achteruit, want het tooneel was plotseling weer veranderd, en hij stond zóó dicht bij een bed, dat hij het bijna aanraakte. Er waren geen gordijnen voor, zoodat Scrooge kon zien, wat erop lag : een roerlooze gestalte onder een slordig neergelegd laken.

Het was zoo donker in het vertrek, dat Scrooge tevergeefs zijn oogen inspande om te zien wat voor een kamer het was. Eensklaps viel een zwakke lichtschijn recht op het bed waarop, bijna van alles

beroofd, door niemand bewaakt en door geen mensch beweend, het lijk van een man lag.

De geest wees met den vinger naar het hoofd van het lijk ; het laken behoefde maar heel even te worden weggenomen om dat te kunnen zien. Scrooge wilde dat doen, maar hij had er de kracht niet toe !

„Daar ligt nu die doode, door niemand beweend ! Niemand die ooit zal zeggen : hij is goed voor mij geweest, hij heeft mij wèlgedaan. Geen vriendelijk woord zelfs van hem heeft bij iemand een aangename herinnering achtergelaten !"

Niemand had deze woorden uitgesproken, en toch had Scrooge ze gehoord.

„Geest", zeide hij, „dit is een vreeselijke plaats.

Laten we heengaan ik zal de les niet vergeten, die

mij hier gegeven is l"

Nog steeds wees de vinger naar het hoofd van den doode. „Ik begrijp u," zeide Scrooge, „en ik wil het wel doen, maar ik heb er de macht niet toe !"

Opnieuw scheen de geest hem aan te zien.

„Als er hier in de stad iemand is, die iets gevoelt om den dood van dezen man," zei Scrooge in hevigen zielsangst, „toon mij die mensch dan, geest, ik smeek het u !"

De geest spreidde zijn zwart kleed even voor zich uit als een vleugel, en toen hij het terugtrok, vertoonde 2ich voor Scrooge's blik een huiskamer in het volle daglicht, waar een moeder zich bevond met haar kinderen. Men kon duidelijk zien, dat zij vol angst en onrust op iemand wachtte. Eindelijk werd er geklopt, en haastig naar de deur loopend, liet zij haar echtgenoot binnen. Zwijgend zette hij zich aan tafel, waarop zijn

Maar de vinger bleef wijzen.