is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1929, 15-12-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nigel Hay boog zijn hoofd tegen de felle windvlaag in, om den hoek der straat. Toen hij den hoek om was, luwde de wind: hij hief het hoofd weer omhoog, en tegelijk zag hij het meisje aan den overkant der straat. Zij klampte zich vast aan een tuinhek bijna recht tegenover Nigel's

huis: in haar houding was iets echt wanhopigs. Mét haar handen had zij boven haar hoofd het hek gegrepen en haar ge! aat drukte, zij diep in den arm. Op de straatsteenen naast haar voet lag een ledige hengselmand.

Nigel bleef staan en keek aarzelend naar de gedaante aan het hek. Hij deed een stap in die richting, maar ging weer terug, onzeker wat hij doen moest. Misschien beter, zich er buiten te houden. Het was zijn zaak toch niet? Ja, maar als dat meisje daar in dien nijpend kouden Oostenwind blijft staan, kan zij wel bevriezen... En dan is dat toch nog mijn zaak eigenlijk niet...

Juist, toen hij door wou loopen, zag hij, dat het meisje haar handen lager en lager liet zakken langs de spijlen van het hek. „Het ziet er uit, of ze zoo neervallen zal,"

dacht hij en liep vlug de straat over, naar haar toe. „Hé, bent u niet goed?" vroeg hij, een beetje onhandig. Hij kreeg geen antwoord, en daarom kwam hij nog dichter bij de zwijgende gedaante. „Zeg," begon hij nog eens, maar ze gaf geen teeken, dat zij hem.

hoorde. Hemel, wat was het fel koud; moest dat kind hier zoo blijven staan? Hij zou het nog eens beproeven. „Bent u ziek of zoo iets? Kan ik u helpen?"

Een lichte, half gesmoorde kreet kwam over haar lippen.

„Wat is er?" vroeg hij, terwijl hij over haar heen boog.

„Ik ben al weer in orde." Heel zwak klonken die woorden hem in het oor.

„Ja, dat zie ik: in orde! Hoor eens, als ik u was,

zou ik dit plekje niet uitkiezen om te rusten" raadde hij haar aan. ,,'t Is wel een beetje kil hier. Ik ben even de straat overgestoken, en ik sprak u aan, want ho, wat zullen we nu beleven? Zeg " Hij stak juist bijtijds de hand uit, om haar op te vangen, want zij liet het hek los, zakte achteruit en viel in zijn uitgespreide armen! „Neen maar, dat is een mooie grap," bromde hij, toen hij daar zoo stond, het slappe lichaam steunend met beide armen. Ze is flauw gevallen, dacht hij. Hij wist niet, wat hij beginnen moest met dat totaal onbekende kind in zijn armen. ..Eigen schuld! Dan had ik mij er maar niet mee moeten bemoeien," zeide hij tot zichzelf. Maar pen oogenblik later kreeg hij toch weer spijt over Jic minder vriendelijke gedachte. Er zat bovenJUIST

NM. VCCR KERSTMIS

} na ar het Enaebcb oloor L.Gravel

dien niet veel anders op, dan, nu hij zich eenmaal om het meisje had bekommerd, ook maar te zien dat hij haar verder zoo goed mogelijk voorthielp. Erg benijdenswaardig was zijn toestand echter niet, want alleen kon hij het toch heel moeilijk klaarspelen, het bewustelooze meisje ergens heen te brengen. Nigel was wel sterk, maar het is toch geen kleinigheid, iemand te dragen, al is die iemand dan ook een jong meisje, dat door önt-

's Avonds vóór Kerstmis! sneeuw, gezellig lichtende Raadhuis van Veendam Een heel merkwaardige foto, die een bekoring heeft als een Midwinter-stemming: ramen, een stille donkere avond een kerk? Niet velen zullen hierin het herkennen! Onze dank aan hem, die de foto ter reproductie aan ons afstond!

bering en ondervoeding nogal wat beneden het normale gewicht blijft!

Daar stond hij dus, vrijwel ten einde raad! Hij keek de totaal verlaten straat eens langs, die in het snel vervagende licht van den laten Novembermiddag een allesbehalve opwekkende indruk maakte.

„Waarom komt er nu niemand langs, om mij hiervan te verlossen?" mopperde hij. „O gelukkig,

daar komt zoowaar een agent -aan." Nigel Hay laadde het gewicht van het bezwijmde kind over op één arm, en begon met de vrijgemaakte hand den agent te wenken, die met kalmen pas de straat langs kwam. •"

,,'n Karweitje voor u, agent, zou ik zeggen," sprak Nigel, toen de agent dichterbij gekomen • > i U'

was. „Ik vond dit meisje hier: zij hield zich vast aan het hek. Ze zag er zoo vreemd uit: of zij vallen zou. Ik stak over, vroeg of zij niet goed was en kijk nu eens, wat er gebeurd is!"

De agent zag naar het beweginglooze lichaam van het jongemeisje. Hij was nog jong: nauwelijks een jaar bij de politie; zoodoende was hij in zijn dienst nog niet verhard tegen dergelijke gevallen. Zijn stem klonk dan ook nogal week,

toen hij zeide: „Ze lijkt heelemaal uitgeput, meneer." Hij vatte een van de handen van het meisje: „Ijskoud is ze. En zoo'n jong ding nog!"

Nigel knikte: „Ja, arm kind! Ze weegt haast niets."

De agent keek naar de le .ge mand, raapte die op en hing hem aan het hek. „Het schijnt een van die arme bloemenmeisjes te zijn. Zeker niets verkocht," merkte hij op. „Zoo iets zal het wel wezen." „Nu, meneer, ik geloof niet dat zij naar een ziekenhuis gebracht behoeft te worden. Laat mij haar maar vasthouden,, dan blijf ik even bij haar om te zien, hoe het verder gaat. Kijk, zij komt al bij."

Het meisje had zich bewogen; ze opende haar ■ oogen maar sloot ze dadelijk weer. „Kom, juffie, wees eens flink," bemoedigde haar de agent; hij boog zich tot haar over en legde zijn breede hand zacht onder haar arm. Weer opende zij de oogen, en ze richtte zich moeizaam op, terwijl de agent de zwakke, wemkelende gestalte ondersteunde.

„Wat is " begon zij met wazigen blik.

„O, u bent flauw gevallen," zeide de agent, „en deze heer heeft u opgevangen "

Nigel Hay was een best mensch, maar hij had een gloeienden hekel aan dankbetuigingen ook al had hij die volop verdiend. En in dit geval zeide hij tot zichzelf, dat hij eigenlijk niet veel bijzonders had gedaan. Nu ja, even dat kind vastgehouden, toen zij in onmacht viel, maar wie zou dat nu in zijn plaats niet hebben gedaan? Men moest toch wel een hart

van steen hebben, om onbewogen voorbij te kunnen loopen en zich niet om zoo'n stakker te bekommeren. Om nu de dankbetuigingen van het meisje, die ongetwijfeld niet achterwege zouden blijven, te ontloopen, zeide Nigel: „Nu, ik ga maar, want u zult mij toch wel niet meer noodig hebben. Ik hoop, dat u weer beter bent?" zei hij vriendelijk tot het meisje, „en neem dit van mij aan, wilt u?"

Zij keek hem strak aan, de bruine oogen wijd open nu.

„Het zijn vijf shillings," zeide hij, en liet .de beide halve kronen vroolijk in zijn hand dansen. • Zij week snel achteruit. „O, neen, dat niet! Ik heb daarom niet "

„Natuurlijk niet!" Nigel keek naar het leege.