is toegevoegd aan uw favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 4, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar en kijken in den riekenden rook. Binst dat Kerlo draaide neuriede zij stil, een avondliedje.

Nu lagen zij beiden geniakkelijk uitgestrekt en aten het gebraden wild. Kerlo dronk met smaak en gulzig het schuimend bier. Er roerde geen blad en al de vogels zwegen. Stilaan vertraagde Swane in haar eten, en eindelijk bleef zij roerloos zitten mijmeren en horken naar iets dat naderen moest uit de verte. Haar oogen doolden en zochten dwaas in het wijde.

Wat hapert er, Swane? vroeg Kerlo.

Zij keek hem diep in de oogen en zei niets. Toe, waarom eet ge niet? hervroeg hij.

En dan heel traag, met weemoedelijken blik, en zoekende naar woorden, vertelde zij hem van den vent die geweest was hier in huis, en dat hij een gesnekkerde Christus meêhad die o, zoo schoon, zoo overdanig schoon was; en van de lancie, de spons en de ladder en de dood, allemaal hoe fijn uitgepeuterd in hout! en den zandlooper en den haan en dat hoofd en die doornenkroon en dat alles had hij zelf gesneden zoo haarfijn met zijn mes; en die Christus had hij haar verkocht voor een lied, en nu was hij met zijn houten kunst wegg'eloopen. ■— Zie eens, Kerlo, we zouden daar veel, veel geld van maken, zei ze plots op een heel anderen toon, en zij keek met hare oogen verstandelijk slim in de zijne. Kerlo schrikte op als hij hoorde van dat lied. — Ge hebt vroeg hij verwonderd. Wat voor vent is ’t? Hoe ziet hij eruit?

Een lange met grijze krullen; hij draagt een groenen frak en op den rug een zwarthouten kistje, daarin die Christus gesloten zit. Hij wilde hem naar stad gaan verkoopen.

Kerlo bleef een wijle denken.

— We zullen aan de menschen zeggen dat gij hem gemaakt hebt en dan kunnen wij hem dure, dure verkoopen. Toe, Kerlo, ’k zou hem toch zoo geerne hebben! En zij stond op en legde haren arm rond Kerlo zijnen hals. Hij miek zich los, dronk met haast zijn pot bier ledig, snoerde zijn schoenen vast en haalde in huis een blinkend vuistroer dat hii onder ziin kiel wilHe hero-en

wiiae Dergfen. Geen wapens! geen wapens! smeekte Swane en ze ontnam hem het roer, — ’t is een brave vent met zachtblauwe oogen!

Kerlo bekeek nu weer zoo vreemd vragend zijn wijf, dan miek hij zijn wezen zwart met grimsel uit zijn zakken en wipte gezwind in ’t donker hout.

Swane legde haar weer uitgestrekt onder de groote linde en als Kerlo nu ver weg moest zijn, zong zij een traagslepend liedje:

Al es die tijt bilde overal

Ende al es groene berch ende dal

Dat wert hem wel cleine in scine

Die ter minnen hevet ongheval

Ie en wete wies hi verbliden sal

Hem es alle blijscap pine

Dat en es geen wonder

Alse hi es sonder

Sijns liefs na sijn begheren

Ende niet en hevet

Daar bi hi levet

Waar op soude hi dan teren.

Een wilde hars- en looverreuk vulde de lucht.

het bladergewelf wierd te duisteren en al de diepten zaten met zwartpurpere donkerheid volgestopt. ’t Was traagaan stil geworden overal. De nachtegaal alleen bleef waterkelen en hij trok zijn tonen op mate en overhand met Swane’s lied ; ’t geleek een afgewisselden samenzang van getelde psalmen die zij van hier naar ginder weerkaatsten door galmende boschbeuken, begeleid en vervuld door ’t meezingende muziek van bladergehuiver hooge, in zachtgolvend geruisch van zuchten die stille zoefden. De avond viel zoo traag, hoe slepend neer en de lange schaduwsluiers omwondden de boomen en ’t werd in de opene dreef een tweestrijd tusschen oranje zonnedood en teerblauwe manesching.

Swane verveelde zich in die wordende duisternis en die stilte; heur lied was uit en ze horkte gespannen naat gerucht dat niet en kwam. Zij legde nieuw hout op ’t smeulend vuur en ze keek nu mijmerig op de blijde vlam die glinsterde in de nieuwe deemstering. Haar luie oogen liet zij spelen tusschen de blauwe rookpluimen die in bochtige kronkels opklauwierden naar de blauwe opening tusschen de boomkruinen. De nachtegaal ook was moegezongen en alleen nog soeselde het zachtzijig bladergezang. In de verte schreeuwde de boschuil. De houtspaanders knetterden op ’t vuur en de opgulpende vlamklaarte deed de bijstaande boomschaduwen dansen gelijk groote zwartblekkende spookventen ’tWerd hier danig vreemd in dien lichtenden kring met zwartdiepe wanden en Swane vond er zoo’n genot in dat ze luidop loech en heur uitgestrekt, achterover neerlei in haar volle lengte om die nare dingen omgekeerd, van onder te boven te zien.

Een schuifelgil sneed door ’t hout. Zij rechtte zich en nu zag ze bij ’t maneschemeren, Kerlo langs de dreef aankomen. Lijk een roode drommel kwam hij bij ’t vuur staan. Hij zette het houten kistje van den pelgrim nevens zich op den grond en keek naar Swane die voldaan en dankbaar heur oogen naar hem opdraaide.

’k Heb, om den duivel, tenden ’t bosch moeten loopen en speuren erger dan achter een haas ! Kerlo liet zich vermoeid bij ’t vuur neerzakken en achter een tijdeke schoot hij in een heftigen schaterlach.

Wat zegde de vent? Wie is hij, en waar woont hij, Kerlo? hebt gij hem verkend? vroeg Swane.

Ho. k vond den pelgrim zitten droomen langs het mospad en ... hij en had maar mijn wezen gezien, zoo wierd hij bevangen met verbaasdheid, en vluchtte ’t woud in en tierde grauwelijk. Dat kistje liet hij staan en ’k heb het mêegenomen. — ’k heb hem schaarsch kunnen verkennen: ho! ’t is Sanctelein de beeldenmaker hij woont achter ’t beukenbosch in ’t oudjachthuizeken, langs de groote dreef.

Swane schreeuwde vol blijheid even een gepaaid kind; ze sprong recht, stak heur verlangende armen uit en opende het kistje.

{Wordt vervolgd.)

SIMPLEX-RIJWIELEN OVERAL VERKRIJGBAAR.