is toegevoegd aan je favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 5, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pastor met zijn straven hals en de handen gemakkelijk op den buik, de burgmeester en vette welgevoede wetheeren en renteniers met de lange gekrulde pijp, deden met smaak de genoegelijke wandeling. Ze lui.sterden met wellust naar ’t blijde vogelgeschuifel en ze bewonderden de ontzaglijk zwaarronde eiken en beuken lang's de zonnige mosdreef.

Swane was op heur best gekleed en frisch, om te stelen: het mollig poezerond wit vel van haar ranken hals en malsche armen stak in een luchtio< kraaknet, wit katoenen jakje en ze droeg een blinkend blauwe voorschoot. Heur wilde haarbos had zij om de betamelijkheid in een wrongel op het hoofd vastgebonden en een lichte zwarte kroezeling speelde nu alleen om haar kriekeloos matbleek aangezicht. Zij zette in een beslommering tafels en banken buiten rond en langs de o ö kegelbaan die door Kerlo lijk een vloer was plat gerakeld. Al de klanten moesten eerst binnen om nog eens den Christus te bewonderen en daar kregen zij ook voor hunnen stuiver een pot helder kralend bier. Met ’t slag van twee ure mocht het spel voor goed aanvangen. De menschen koutten luid, anderen leerden om ’t best kegels ombollen en tastten en zochten om handigheid in ’t spel te krijgen. Elkende een beweerde dat hij ’t best zou bollen en men wedde met hooge grootspraak van woorden, prijs te winnen. Ze kregen ruzie bijkans om ’t uitschieten van hunne bol en’t pas voethouden van de mete, eer ’t spel nog aanvong.

Een stonde was er wachtend zwijgen. ’t Sloeg twee uur en na de slagen ging er nieuw gerucht op. De koster stond gereed met zijne bol in de hand en na lange mikken, binst dat al de hoofden op zijne hand gekeerd stonden wierp hij uit. Een luide kreet van blijde afkeuring en scherp gelach.

Niet! niet! Een andere! Aan wie?

De koster kwam beteuterd uit de baan.

De pastor kwam vooruit; hij robbelde zijn kleed over de knieën, hij bezag de omstanders en schoot in een ronden lach uit. Hij verwachtte zich aan geen winst en wierp zijne bol met slonken arm. Ook niet, ook niet!

Er ging schallende leute die helmde tusschen ’t hout en luide stemmen en Swane kikkerde daar tusschen in met heur versche stoopen vol schuimend bier. Al de dorpelingen bolden d’ een achter den andere. Nu een goede smeet met angstig goedkeurend gemompel en ingehouden vloekwoorden der kijkers en luid gelach eiken keer de bol uit de baan of ver van de kegels wegrolde. Boer Verdam, de sterkste speler van ’t dorp, had bijkans volle .spel. Hij sloeg toch om de mistevredenheid een feilen slag op de bil en schudde kwaad den kop omdat ’t niet beter was uitgevallen. Maar Karei Loom speelde evenveel met nog andere boerengasten die dan later als de lijst was uitgedaan, gingen kampen om den prijs. Die zetten hun nu gemakkelijk bij de verliezers hun pint te drinken en rookten eene pijp onder de linde. Andere die al om ’t even slecht lukten dronken

hun bier uit en drentten voorzichtig neder naar ’t dorp. Het spel ging altijd voort en de menschen vaagden met hun rooden neusdoek het zweet van ’t aangezicht en ze vroegen altijd nieuwe potten bier om de geweldige verdossemde lucht hier onder die boomen die verzengeld stonden van den zonnebrand. Met den valavond kwam de leumige koelte en het spel ging kalmer. De slechte boilers waren weg en de prijskampers speelden nu om den uitslag. Aller oogen volgden neerstig lederen worp en telkens ging er een diepluide zucht als de boller uit het spel viel.

’t Zal aan Verdam blijven, meenden de kenners, omdat hij al driemaal was aangebleven,: doch bolde Swas de boereknecht, even sterk, j Niemand wilde nu nog naar huis gaan zonden te weten wie verwinner zou blijven en zij stonden allen samengeschoold met uitgerokken hals, ge-Ijogen over de bane.

Maar Sanctelein was twee dagen ziek van schrik en van spijt in zijn bed blijven liggen. Nu op ’t laatst was hij wat bekomen van dat grouwelijk verschot en hij kwam even eens buiten zien naar al dat gewandel der dorpsmenschen voorbij zijn deur. Hij was nieuwsgierig om de reden van die doening. Baas Siepe vertelde hem met groot gebaar: van Kerlo en zijn wondere Christus en dat hij nu ’t schoone meubel te verspelen gaf op zijn kegelbaan en dat heel het dorp er naar toe was gestroomd!

Sanctelein kreeg een geweldigen zenuwschok door al zijn leden. Kerlo dat was Swane’s man, de weerwuif, het zwart gemaakt verkeer, het verweerde, onziende kalf-zonder-kop die hem overweldigde in ’t bosch en hem zijn Christus roofde ! Maar die had hij . . . ’t was de zijne en Kerlo miek de menschen wijs dat hij hem nu zelf gemaakt had! ? Sanctelein gerocht in een verontweerdigden toorn, hij dacht aan geen vrees, of wraak of aan Swane die hem reeds twee dagen als eene geweldige mare bereed, en hij liep in een vlucht naar ’t dorp, recht naar den veldwachter wien hij heel zijn gebeurtenis vertelde.

Fiere greep in een eerste gevoelen naar zijn sabel maar evenzeer trok hij een ernstig gelaat en overwoog en vond dat het geradig zou zijn de zaak voorzichtig aan te gaan.

Kerlo, maar die woont ver van hier, diep in ’t woud, moeilijk om grijpen, dien vogel, en daarbij da’s een soort wildeman ! Kom, we gaan eerst naar de Klok een borrel drinken! besloot hij, daar is volk.

Fiere vertelde aan al de boeren die van de bolling thuis waren, den roof en het bedrog van Kerlo, en het geval van den waren kunstenaar den armen Sanctelein. Fiere bekoutte de boeren tot ze eindelijk gloeiende kwaad wierden en allen beloofden mede te gaan om den booswicht te vangen.

Stil, gebood de veldwachtei', laat mij de zaken beleggen, zorgt voor wapens en koorden, en vooruit!

Hij trok den sabel en aan ’t hoofd van de stoetbende ging hij fier den weg op naar ’t woud.

WIJ BEVELEN AAN.