is toegevoegd aan uw favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 6, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welnee, kletst niet!”

Een klit dansers bonkt tegen hen aan, stuwt hen tegen elkaar op, zoodat ze staan met de neuzen op elkander, vastgeschokt in den warrel. O, o!!

Lichtelijk knipt ze de oogbogen, hij klodderlacht. Met haar molle lijf reageert ze; nou wat mot je daarmee? hort terug met haar breede ongegeneerdheid. En nu opnieuw, scharnieren ze snel: hij statig, zij met driest beweeg van de volle heupen, zwaaien ze dadelijk raak tusschen de bonkende lijven. Maar ze komen in botsing: „karambol”. O, ook uit de maat! Wacht ès .. . zoo! . . . maar nu nog breeder-uit zwalpend, gaan ze, waaierend haar rokken als ’t dek van een carousel; hèl-fel haar rood-roode kousen tegen het zwart van zijn staken, die rokken er om heen zwalpend met het soepele wit, dat schuchtert onder de wijdflierende, zwarte zwalpbreedte.

Nou, santjes!”

Prosit.”

Zij stoot aan, even tuk-lachend: „daarga-je!” Hij droogt zich nog ’t zweet, dat gudst om de roode nek,

’t Moesseerend, troebele bruin van het .stout kledderkleeft om haar gulzige mond, die lekker lacht. Eh 1 stout is gezond en stout is lekker!

Dat heb-je noodig, begrijp-je?

Hij tipt aan zijn klare, eerst nog bangig, zoo met de lippen, „het is er zulk bocht”, maar dan toch op-slurpend, ineens.

Zij schenkt opnieuw het stout, dat schuimt, dat borrelt, en gulpt ’t glas weer leeg.

En nu in hand-ophouden, komt de manke met zijn blaadje, vlug naderbij, schuddend de hand, rij-teitend: „asjeblieft een en dertig centjes!”_

Hij in royale greep betalend, veegt zij vlugjes zijn zweetend hoofd, zegt, zettend haar breedheid van rokken op de smalheid der bank „ga toch zitte ouwe, of hebbe ze niet voor je ingekoch ?”

Rondom in de lange-lage zaal zitten nu de dansers van zooeven, op de smalle banken, warmte-puffend, het glas met armbeweging schuivend op het houten schap boven hun hoofden. Vettig lachend glimmen de spiegels in de pralende lijsten boven de bettende hoofden, het goudene licht in wit glazen gestemde ballonnetjes gecacheteerd, de lichtarmen door kettingjes voor onverwachtschen aanval of vechtpartij beveiligd. En gretig slurpend de lippen, droogend de wasemende hoofden, gaat het gepraat langs de banken, onophoudelijk, een inelkaarvloeiend luid gemurmel. Het middendeel is nu geheel leeg met zijn zwart-glimmende plankenaden. Vreemdeigen die leegte als een stilheid tusschen rumoer, een stille vlek, dat leege dansgedeelte. ’t Is zoo stil als een kalm water met vele onnoozele kijkers aan den kant.

Buiten vlaagt het rauwe straatgejoel, gieren de gillen der brute meiden, de schreeuwen der aangeschoten kerels. Het gerucht gaat in strui-

kende scheuten, strijkt langs het danshuis zooals een warrelwind gaat langs een graanveld; de danszaal als het veld waar de aren gebogen liggen door den wind, nu men er moe is, men er rust van het dansen.

Een wals . . . .

Ta-taa-h-ta, tat-ta-tateej e . . .

In kniewip veeren op de mannen. Ze grijpen de vrouwen die loomer komen, meer statig, alleen • 1 • uitgelatener zijn wanneer ze dansen onder elkaar. Sleep-fiedelend strijkt de viool, klankend tokkelt de piano, en meer bescheidenlijk blijft de hoorn er tusschen. Snel flakkeren gaan de eerste paren in ’t rond. En nu vlug strengelend komen de anderen, in-eens, vult zich de leegte als een vlakte die volloopt met kolkend water.

De voeten strissen over de dansvloer, glissen weer wijder, draaien en wieken, en om de mannenbeenen floept zwaar de rokkenvolte der meid.

Kan je niet links?”

...... Nou, nee of ik!

De linkerarm beiden ingetrokken, de rechter breeder gewaaierd, zwenken ze nu geheel op de teenen van linkervoet om, zwaaien, zwalpen in ’t rond, of ze zullen .slaan naarden grond, draaien door in nog snellere snelheid, aldoor links, met een zwieping van wind, zonder met de voeten van de plek veel te verschuiven, draaien en draaien al-door; draaien dan in-eens weer gewoon.

Achter elkaar, als een lange brokkelige ketting, nu de paren, wel nog eens botsend maar toch zonder verbreken gaat die sliert, draait aldoor als cirkels die wieken, gaan de bol-roode koppen met de hitte-puffende adems duizeldraaiend in ’t rond.

Met neerhangende onderlip en vaag geloken lodderblik, wegstarend in wellustig zwijmelwenden, niets ziende dan ’t vlekkerig waas van spiegelruiten en zwartbrokkerige gestalten, hijscht zij haar jong-rijp vol meisjeslichaam tegen hem op, het onderdeel in de rokkenzwaarte breeder uitzettend, weer neerhalend het lichaam, om zich te kunnen laten gaan op ’t sleepend gedein. Hij, klemmend zijn stompje sigaar in den uitersten mondhoek, verwezen het gezicht door het aanklitten van haar lijf, dat hij nu gretiger strengelt, draait, toch wel moe door haar breede zwaaien, nog forscher. Wilder en wilder worden de armrukken, in hun snelle opvolging niet meer zichtbaar, en nog breeder de zwaaien, die lijken te vloeidraaien tot een uitzweving der voeten, dat zich nauwelijks verplaatst, lichtelijk om elkaar glippend die voeten; elkaar in ’t rythme heffend en neerzwalpend tegelijk.

Nu de oogen geheel geloken in het weeldegevoel te worden gewiekt met vleugelen die snel draaien, alleen voelend de zwieping harer eigen rokken, even slechts voelend de arm waarop zij zwenkt, krachtiger de rukken als magnetiseerende schokken van een sterkere, waarmeê hij haar keert in een zuiging van wind, waaiert ook om haar hoofd de warmte, deint om hem de hitte, klit-klemmen

SIMPLEX-RIJWIELEN NED. FABRIKAAT.