is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 3, 1929-1930, 1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streken te verdelgen, alleen omdat daar andersdenkenden wonen, toont hier alleen zijn almacht: de Heer, uw God is een naijverig God. Hier hebben wij de doorvoering van het intellectualisme binnen de godsvoorstelling. God wordt van één punt uit begrijpelijk gemaakt, n.l. naar zijn Almacht.

Hetzelfde geldt voor de praedestinatieleer. De Almacht Gods verdraagt geen zelfstandigheid naast Zich, allerminst een zelfstandigheid van menschen.

Tegenover deze eenzijdige interpretatie stelt Sokrates het recht op een ethisch, aestetisch en religieus oordeel. Inplaats van de leer eener éénvoudige, de leer eener meervoudige beoordeelingsmogelijkheid. Naast de mogelijkheid van het oordeel dat causaal bepaald (d.w.z. het theoretisch oordeel of de vraag naar het ~waarom der dingen”), de mogelijkheid van oordeelen, die niet met ons ~waarom” te benaderen zijn, i.a.w. niet causaal bepaalbaar.

Deze sokratische opvatting ten opzichte van het causaal bepaald-zijn onzer oordeelen, voert onmiddellijk tot een dualisme in verband met de vraag naar de geldigheid van ons oordeel.

De natuur staat niet zelf in bewondering over haar schoonheid, zoo zeiden wij reeds, maar wél het subject, dat haar beoordeelt. Evenmin ligt die natuur in eigen aanbidding verzonken, maar wél de mensch die haar aanschouwt en tegenover haar grootheid zich bewust is van eigen kleinheid. Als eenigen grond voor onze oordeelen over het goede, schoone en vrome wijst Sokrates naar het oordeelende subject. Dit is zijn leer der subjectieve geldigheid, de leer der OQda öo^a.

Voor hem ligt de werkelijkheid open als een groote doorgesneden appel, d.w.z. de werkelijkheid valt in twee helften uiteen. Als object, dat beoordeeld wordt, staat zij tegenover het subject, dat oordeelt. Maar met dat uiteenvallen der werkelijkheid valt tegelijkertijd de geldigheid van ons oordeel uiteen. Tegenover de objectieve geldigheid van het oordeel komt de subjectieve geldigheid te staan.

Tevens voltrok zich hiermee voor Sokrates het dilemma: zijn bekende ~Ü7iOQCa' (verlegenheid). Zoowaar als hij eenerzijds aan onze oordeelen over wat goed, schoon en vroom is een geldigheid moet toekennen, zoowaar kan er anderzijds met deze geldigheid niets worden aangevangen. De eenige voorwaarde, waardoor iets tot de hoogte van wetenschap kan worden opgeheven, blijft onvervuld, n.l. de mogelijkheid eener herleiding tot het bestaande. De werkelijkheid, zoo leert hij, is niet goed of schoon of vroom. De werkelijkheid is hard of zacht, wit of zwart. Goed, schoon of vroom wordt zij eerst voor ons oordeelende menschen.

Tegelijkertijd begreep Sokrates ook het groote gevaar van een zoodanige formuleering. Het gevaar, dat de leer van de subjectieve geldigheid zou omslaan tot de leer van het ~subjectivisme”. Al zullen onze ethische aestetische en religieuze uitspraken nooit tot een wetenschap (êmotijfii]) kunnen worden, als meening blijven zij waar. Maar daarmee heeft