is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 4, 1930-1931, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo moet voor de reflectieve metaphysische kennisleer de werkelijkheid ook maar zelf weten, hoe zij in den korf van onze kennis wil kruipen. Hoe zal het onderscheidene elkaar kennen? Hoe zal deze wereld buiten mij voor mij tot kenbaarheid kunnen worden?

Men zegt van de menschen, dat zij de dieren nooit kunnen leeren kennen, omdat een dierenziel en een menschenziel zoo geheel anders zijn. Maar als dat zoo is in de verhouding van mensch tot dier, hoe moet dat dan zijn in de verhouding van mensch tot natuur? Goethe heeft deze moeilijkheid gezien en zijn toevlucht gezocht tot het panpsychisme, de leer der albezieldheid.

~War nicht das Auge sonnenhaft

Die Sonne könnte es nie erblicken.”

De tegenstelling tusschen object en subject wordt opgeheven, door zoowel subject als object in één bezieldheid te laten opgaan. Goethe eischt de eenheid op. Wij kunnen de ~zon” zien, omdat wij mede ~zon” zijn. Wij kunnen de wereld ~kennen , omdat wij deze wereld mede ~zijn'". In de schoonheid der natuur zou de mensch tevens zich zelf herkennen, omdat die natuur niet tegenover hem zou staan als het andere, maar omdat in waarheid de natuur zich in hem en hij zich in de natuur reflecteert. Het object, zoo leert het panpsychisme, verliest eigen objectiviteit en het subject verliest eigen subjectiviteit omdat èn object èn subject zijden zijn van één en dezelfde werkelijkheid.

Een dieper blik in deze zoogenaamde ~kinderachtig eenvoudige” stelling, dat het begrip kennis zoowel eenerzijds een ~object” opeischt, dat gekend wordt, als anderzijds een ~subject”, dat kent, voert ons onmiddellijk tot den drempel der leer van Spinoza, de leer van de eenheid der tegendeelen. De eenheid zou hiermee ophouden ~eenheid” zonder meer te zijn en de tegengesteldheden zouden ophouden ~tegengesteldheden” te zijn. Het leidt ons m.a.w. tot niets minder dan tot de verwerping van datgene, dat door Wolff tot hoeksteen van de mogelijkheid aller kenbaarheid is gemaakt, n.l. het principium contradictionis, het uitgangspunt, dat iets niet tegelijkertijd zich zelf en het tegengestelde van zich zelf kan wezen. Het is er wel ver vanaf dat de metaphysische opstelling tot de kennisleer een oplossing beteekent; integendeel zij houdt de bron aller moeilijkheden in.

De ware werkelijkheid is niet de werkelijkheid der ~gesteldheid”, maar de mogelijkheid der ~stelbaarheid . Dit is de zwenking door Kant aan de oplossing der kennisleer gegeven. Niet het denken heeft zich te richten naar de fictie van een op en voor zich zelf gestelde werkelijkheid, maar ons begrip aangaande die werkelijkheid zelf heeft zich te richten naar het methodische denken. Hiermee wordt de kennisleer op een nieuwe baan gebracht. Wanneer wij eerst verlost zijn van den waan, dat het begrip werkelijkheid, qualitate qua, geklonken zou blijven aan het begrip zelfgesteldheid, wanneer wij i. a. w. van de metaphysica zijn verlost, dan kan me-