is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 5, 1931-1932, no 9, 1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denheid blijkt te missen in de zwevende sprongen, dat ook, wanneer het de aarde raakt, niet meer dan de uiterste teenpunten tot steun behoeft, terwijl alle veelheid van bewegingen dan plots kristalliseert in de roerlooze ~arabeske”. Het is vooral zulk een harmonisch in elkander overglijden van abstracte bewegingen en standen, een spel met crescendo en decrescendo, dat het ballet wil geven; een zuiver apollinische kunst. Pantomime komt daarbij op de tweede plaats, deze wordt a.h.w. slechts uiterlijke aanleiding tot het ontplooien van dat zuiver ornamentale bewegingsen lijnenspel.

~De dans is de kunst der passen, der gracieuze bewegingen en fraaie standen. Het ballet, dat aan de dans zijn betoovering ontleent, is de kunst van de teekening, van den vorm, van de figuur. De veelvuldige bewegingen van het ballet zijn het werk van het scheppend genie, dat het ensemble schiep en de verschillende betrekkingen in de combinaties der figuren onderling.” Zoo schreef op het eind der I 8e eeuw Jean Georges Noverre, de groote choreograaf en theoreticus van het ballet.

Zoo had trouwens honderd jaar vóór hem de Jesuietenpater Ménétrier ook al geschreven in zijn werk ~Des ballets anciens et modernes selon les régies du théatre”. Parijs I 682.

En zoo is het gebleven, de eeuwen door. Aldus is de traditie gehandhaafd, van Noverre af, die in zijn dagen met straffe hand en onuitputtelijke fantasie, de dansvormen wist te verrijken. Aldus bleef, nu ruim honderd jaar geleden, ook Carlo de Blasis de traditie getrouw, die andere groote theoreticus en choreograaf, man van hooge ontwikkeling, beschaving en begaafdheid. Geheel kind van zijn romantischen tijd, is aan hem voornamelijk het sterk romantische accent der balletten te danken. Hij was het b.v., die door de invoering der ,,pointes” (teenpuntdans) de zwevende onaardschheid wist te bereiken, die zijn elfen en sylphiden hebben moesten. Nog in latere jaren bleven dezelfde tradities bestaan. Verstard misschien in het Westen van Europa, maar levend in Rusland. Levend in het theater en in de als een klooster zoo strenge keizerlijke balletschool, waar de leerlingen door lange training, bij sobere levenswijze, wel bewaakt en vrijwel afgezonderd van de wereld, de technische moeilijkheden leerden overwinnen. Onder veilige hoede begon dan het eerste optreden in de achterste rijen van het heusche operaballet, waarna de leerling kans had alle graden van die lange hiërarchie van rangen te doorloopen tot het punt, waar als ver ideaal de eerste ballerina en de eerste solodanser schitterden. Met ernst en toewijding werd er gewerkt, gewerkt en nog eens gewerkt, onder de oogen van de keizerlijke familie, die geregeld de school bezocht. Van frivoliteiten was geen sprake. Ook de eersten en zij vooral, hadden toch immers steeds matig en sober te leven, met urenlange training eiken dag, om in goede conditie te blijven!

Van Rusland uit komt dan de vernieuwing der oude traditie in het Westen, deels in het Oostersch-bonte, kleurige gewaad der Diaghilew-balletten, deels de vondsten van Isadora Duncan assimileerend, deels in de pure, abstracte schoonheid van de overgeleverde vormen, die vormen, waarover in de eerste plaats dit artikel gaat.

En nu, nu is het alsof allerwege weer de oogen zijn opengegaan voor het klassieke ballet. Interesant is het in dit verband de verandering der waar-