is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 11, 1937-1938, no 5, 1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vertegenwoordiging van het vrouwelijke element in deze kunst zien, terwijl het tooneel meer het mannelijke element representeert. Om met enkele voorbeelden het bovenstaande duidelijk te maken, het volgende. De geschiedenis van Japans beroemdste dichteres Ono no Komachi, een hofdame (834—880), welke meestal in 7 episodes wordt voorgesteld, geeft in de prentkunst vrijwel altijd de gelegenheid tot vergelijking met Oiran of Geisha (vrouwelijke muzikanten van het Yoshiwara). De veel voorkomende serie der Zes Tamagawa (juweel-rivieren) wordt haast altijd voorgesteld door een wadende vrouw, een wasschende vrouw, een linnen-spoelende vrouw etc., waarbij zelfs dikwijls de geheele rivier op de prent niet voorkomt. Een andere bekende voorstelling, die der zeven Geluksgoden, wordt vaak in het vrouwelijke getransponeerd en dikwijls naar het Yoshiwara verplaatst. En zoo zouden wij door kunnen gaan.

De eigenlijke historieprenten worden zeer vaak, speciaal bij de Utagawa-meesters uit de 19de eeuw, op het tooneel verplaatst. Dat ligt echter aan het feit, dat dezelfde onderwerpen, die voor de prentkunst in aanmerking kwamen, ook door het tooneel gekozen werden, zoodot hier een samengaan van tooneel en prent een ook voor ons logische oorzaak heeft.

Dat zich-specialiseeren van de prentkunst op onderwerpen, heeft als vrijwel natuurlijk gevolg gehad, dat de eene meester zich meer tot de vrouw, de andere zich meer tot het tooneel aangetrokken gevoelde. En zoo zien wij dan ook, dat in de historie van deze kunst deze twee richtingen parallel naast elkaar loepen; zich zoo nu en dan vereenigend, om dan weer ver uit elkaar te gaan. Beide richtingen hebben een in sommige punten sterk verschillende uitdrukkingswijze, beide maken echter gebruik van dezelfde technische middelen, en wat in de eene richting bereikt wordt, vindt al spoedig zijn weerklank in de andere.

In het bestek van dit artikel een overzicht over de ontwikkeling van de Japansche prentkunst te geven is onmogelijk. Ik wil daarom trachten zeer in het kort even de verschillen en de overeenkomsten tusschen de drie groote perioden aan te stippen. Deze drie perioden zijn: die van 1670 tot 1765, met als hoofdmeesters Moronobu, Kwaigetsudo, Klyonobu, Masanobu en Toyonobu; die van 1765—1790 met de hoofdmeesters Harunobu, Koriusai, Kiyonaga, Shunsho en Shuncho; die van 1790—1870 met als voornaamsten Sharaku, Utamaro, Yeishi, Choki, Toyokuni en Kunisada. Geheel zelfstandig van deze drie groepen staan de landschapskunstenaar Hokusai en Hiroshige.

De eerstgenoemde groep wordt wel eens die der primitieven geheeten. Zij onderscheidt zich door de beperkte technische middelen en speciaal door het ontbreken der gedrukte kleur. Deze