is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 12, 1938-1939, no 4, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vragen en in dit geval was het geen wonder te noemen, dat zij dit verkreeg.

Wat er door de oude kantwerkster toen is verteld, hebben alleen de Groot-Juttrouw en de vier witte muren aldaar gehoord. Feit bleek echter, dat leffrouwe Godelieve van de Ghesquiere uit Het Steertje werd aangewezen, den hazewind Barzoj te mogen houden tot een dankbare intentie, toen Lady Surrey Hamilton Brugge voor een andere kunststad meende te moeten verwisselen.

Dat letfrouwe van de Ghesquiere dit voorrecht kreeg, had zijne redens weer gelegen in het feit, dat Lady Surrey Hamilton bij letfrouwe Godelieves deur het aldereerst had aangeklopt, toen zij schroomvallig als Britsche bezoekster het Hof betrad en gelijk al hare landgenooten zoo geren het inwendige van zoo'n begijnenhuiske wilde leeren kennen. De Engelsche kunstminnares was er herhaalde keeren geweest, thee en cacao schenkend en kant koopend, zooals leffrouwe van de Ghesquiere ze wist te klossen, met de zich telkens herhalende zwaan, mystieke vogel uit de Brugsche vaarten en kanalen, waarvan verteld wordt, dat er enkelen bij de tweehonderd jaren oud zijn.

Op zekeren dag het was haast een jaar na het vertrek der Engelsche kunstminnares was de Barzoj zeer onrustig en beweeglijk en toen hij uit mocht, rende het beest, met sterk-opgetrokken buik, naar het grasveld waar vrouwken Sylvia Willaert als drenkelinge had gelegen. Het dier miek groote sprongen en blafte menschelijk. Na korte oogenblikken evenwel keerde de windhond terug en vervoegde zich bij zijne nieuwe meesteres.

Het was den daaraanvolgenden nacht, dat een nachtwaker op de wijngaardplaatse loopend bij de huisdeuren, een zilveren vlak meende te zien van uit de verte en op het grasveld toetrad om in den halven donker te ontwaren wat daar zijne aandacht trok. Op de gerzinge tredend ontwaarde hij bij den stillen waterboord waarlijk een groote plek, als stond er ijswater bevroren op 't gras. Met zijne hand daarnaar tastend, raakte hij echter gewoon de grassen en verwonderde zich niet weinig, dat zijn handrug gedoopt leek in vloeiend zilver of kwik. De nachtwaker liet niet na zijn wedervaren rond te vertellen, zoodat ook dit gerucht het Bagijnhof kort daarop binnenwandelde en leffrouwe Godelieve van de Ghesquiere ter oore kwam.

Deze liet natuurlijk niet na, de belangwekkende mededeeling aan de Groot-Juffrouw te berichten, die haar met heur lange blanke handen dankte en met watergrijze oogen wijs maar doordringend aankeek.

„Zorgt goed voor onzen Barzoj, gij moogt hem meebrengen naar eiken dienst in onze kerke. Ik ben ervan overtuigd, dat dit edele Russische dier eene ziel heeft, zeker anders dan de godde-