is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 13, 1939-1940, no 7, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KUNDE IN DE KUNST

DOOR HEIN VON ESSEN

Dat de vraag, hoe het met de kunde in de kunst van heden is gesteld, in kunstenaarskringen weer sterk naar voren gebracht wordt, bewijst misschien wel, dat er met die kunde iets niet heelemaal in orde is.

Opmerkelijk was in dit verband het gesprek, dat ik eenige dagen geleden had met een viertal vrienden beeldende kunstenaars en dat ik hieronder zonder verder commentaar heb trachten weer te geven.

Eén onzer zei: „Heb je gelezen, wat Jos. de Gruyter schreef in z'n In Memoriam ten Klooster? Hier is het „Ten Klooster waardeerde de vakliefde in een tijd, waarin de techniek vaak onrecht wordt aangedaan, hetzij door forceerende veronachtzaming, hetzij door dogmatische overaccentueering."

Ik vind, dat de Gruyter daarin gelijk heeft."

„Ik heb gisteren een nieuw Fransch werk over Toulouse Lautrec doorgebladerd," zei een tweede, „en ik verzeker jullie, dat je dan weer een opdonder krijgt, als je ziet, wat een meesters dergelijke kerels waren. Dan voel je toch, dat er in dezen tijd een algemeen en groot tekort te constateeren valt aan echte kunde. En dat we niet zooveel praats moesten hebben."

De derde zei: „Dat komt van de ismen. Vereenvoudiging, aanduiding. .. . maar hoel ... dat wordt al genoeg gevondenl Zóó genoeg zelfs, dat de beschouwer vaak méér in het werk te scheppen heeft, dan de kunstenaar eraan verfde of beeldhouwde.

En zeker, vereenvoudiging, aanduiding, abstraheering kunnen genoeg zijn, mits de kunstenaar dóór de kennis is heengegaan, doch dat is tegenwoordig vaak niet zoo. Lees maar eens kritieken, dan merk je wel, hoe vaak er nog bravo geschreeuwd wordt bij camouflage van onkunde en schemering van sentimenf.

Je klutst wat nieuwe zaaklijkheid met een tik decoratief kubisme en een druppel surréalistische bizarre rangschikking dooreen en schildert dat kleurgevoelig tezamen, dan prikkel je de lust voor discussie en bent nog steeds de held."

„Maar achter één krabbel van Lautrec leeft precies duizend maal méér," zei de tweede norsch.

„M'n hemel," barstte de vijfde los, „je wilt toch niet terug naar het naturalistisch apengepeuter? We leven nu eenmaal in een anderen tijd met andere waardeeringen en opvattingen."

„Alsof Lautrec peuterde! Integendeel, welk een losheid, welk

DE DELVER XIII No. 7