is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 13, 1939-1940, no 7, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

én niet door philosofie-professoren gezegd blijken te zijn. En wat de holbewoners betreft: Ten eerste weet ik niet, of wij deze griffelingen persé met kunst moeten betitelen. Het waren m.i. meer kernachtige symbolen, een soort expressionistische teekens, dan kunst.

En ten tweede weet ik wel heel zeker, dat deze voorhistorische menschen één ding door en door kenden tot in hun bloed en botten toe en dat is precies, wat ze wilden uitdrukken: hun jacht en de dieren, waarop zij jaagden. En dat dekt dus volkomen, wat ik zei;

Onder kunde versta ik niet het verworven vermogen tot nabeelden, maar het vermogen tot vormgeving en uitdrukking, geboren uit begaving en gevoed door studie en kennis van de vormen en van de middelen der techniek.

Daaruit volgt vanzelf, dat de kennis-alleen geen kunst kan voortbrengen; ze schept slechts knap maakwerk. Maar evenmin kan dat de beeldende begaving-alleen; deze schenkt slechts beloften.

Talent is primaire voorwaarde, kennis de secundaire. De kunde in de Kunst is de resultante dezer twee.

En begrijp goed, dat geen er meer van doordrongen is dan ik, dat zonder hart, zonder bloed, zonder bezieling, of anderzijds zonder geest of verbeeldingskracht, ook deze door mij bedoelde kunde nog geen kunstwerk voortbrengen kan.

Maar begrijp ook drommels goed, dat zonder deze kunde geen werk ooit tot waarachtig kunstwerk wordt, geen nog zoo vurig hart, geen nog zoo groote geest zich zonder deze waarlijk Vr ij vermag te uiten. En dat is een oeroude waarheid, waarover vroeger niet eens gepraat werd en waarnaar wij ons in dezen tijd, juist in dezen losgeslagen tijd, weer rechtuit te richten hebben."