is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 13, 1939-1940, no 10, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemaakt heeft van zijn Gezicht op Delft? En, verder gaande, ontdekt men dan niet nog veel dieperliggende waarden, welke de rijkdom zijn van den fijngevoeligen geest, die in staat is kunstwerken te scheppen, welke wij onsterfelijk noemen? Krijgt men daar niet aanraking met den mensch-zelf, die in den kunstenaar is, een mensch als wij, met vreugden en smarten, met zorgen, met liefde en met afkeer, maar die in staat was om van al die gevoelens en ervaringen iets te maken, dat ons nog wat te zeggen heeft, doordat hij ze ophief tot iets schoons?

Als wij van dit alles iets tot ons voelen komen, voelen wij, dat wij aan onszelven werken, en wij begrijpen ook, dat de mogelijkheden vele zijn, in vele richtingen, omdat wij elk iets anders beleven kunnen naarmate onze innerlijke gesteldheid zich weer van die van anderen onderscheidt. Maar ik behoef U niet te zeggen, dat als ik hierin de cultureele waarde, de groote cultureele waarde der musea voor de arbeidersklasse zoowel als voor alle andere klassen aanwijs, de zaak daarmede niet is afgeloopen. Zoo eenvoudig is het niet: het is cultuur, dat wil zeggen: vrucht van arbeid.

Er moet gewerkt worden, en dat wel aan twee kanten: bij de musea en bij de bezoekers.

De musea moeten natuurlijk zóó zijn ingericht, dat de bezoeker er gemakkelijk den weg vindt naar het goede. De kunstwerken: schilderijen, beeldhouwwerken, meubels, enz. moeten zoo zijn geplaatst, dat zij elk op zichzelf tot hun recht komen en te zamen een schoon geheel vormen; geen overlading, maar ook geen saaiheid: er moet een stemming, een sfeer van kunst en schoonheid geschapen worden.

Dat kan alleen tot stand gebracht worden met gebruikmaking van alle gegevens der wetenschap, maar men moet dat eigenlijk niet bemerken: er zij zoo weinig mogelijk betoog of wetenschappelijke demonstratie. Maar het betoog of de demonstratie moeten, als het noodig is, dadelijk kunnen worden gehouden. De museuminrichting moet als onmisbaar en voornaamste hulpmiddel de kunsthistorische wetenschap steeds ter beschikking hebben.

Maar als wij een oogenblik mogen aannemen, dat de musea aan deze hooge en niet zoo heel gemakkelijk te bereiken idealen zouden voldoen, dan zullen wij ook aan de bezoekers nog bijzonderen arbeid te verrichten hebben. Daarvoor moet ik enkele oogenblikken uw aandacht met nadruk vragen, want dat is thans en voor ons onderwerp van het allergrootste belang.

Immers, maar zelden wordt de goede museumbezoeker geboren, evenmin als de mensch van waarlijke geestesbeschaving zoo maar kant en klaar voor ons verschijnt.

Ik heb langzamerhand heel wat museumbezoekers kunnen gadeslaan en mag het dus wel zeggen. De meesten loepen doelloos rorid, verstrooien hun aandacht, willen alles zien en zien ten slotte niets goed. En alleen het goed zien, het door en door be-