is toegevoegd aan uw favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 2, 1947, no 11, 15-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Diepgang van visie vinden we niet bij hem, en toch kunnen we niet zeggen dat het werk oppervlakkig is. Integendeel, het boeit door de duidelijk blijkende schildersdrift, door de diepe, innerlijke vreugde. Men kan het bezwaar aanvoeren, dat hij de materie eigenlijk nooit overwonnen heeft, dat de stof altijd stof is gebleven, maar doet dit wel terzake bij een schilder, die het wonder van vorm en lijn, van kleur en licht zo overtuigend heeft weten weer te geven? Het lijkt een sprookjeswereld, een grot met de schatten van Aladin. En als wij ons afvragen waaraan het die onwezenlijke luister ontleent, dan moeten we de oorzaak zoeken in het licht, dat zeer waarschijnlijk onder invloed van Rembrandt zijn magische gouden glans verkreeg.

Het licht speelt wel een zeer grote rol, omdat van Beyeren dit als beslissende factor voor zijn compositie nam. De fonkeling van het glas, de glans van het zilver, de transparance van het porselein, dit alles is onderhevig aan het licht. En dan de kleuren, die getemperd worden of helderder uitkomen, de vormen, die duidelijk en scherp omlijnd naar voren komen of bijna verdwijnen in de donkerte van de achtergrond, ook zij worden door het licht bepaald. Zo schijnen de voorwerpen doordrongen te zijn van een helderheid van zachte rosen, grijzen en groenen, komend uit de warme, donkerbruine fond, waartegen de levendige kleur zacht en toch sprekend afsteekt.

Wordt van Beyeren door de even na hem komende Willem Kalf op het gebied van het pronkstilleven overtroffen, wat het visstilleven betreft, is hij zonder enige twijfel de grootste meester. Het visstuk, dat gelijk het ontbijtje en_ de andere vormen van stilleven een aftakking van het keukenstuk is, vinden we het eerst vertegenwoordigd bij een klein’ aantal schilders, die over het gehele land verspreid waren. Zo werkten in Leiden Pieter van Noort, in Den Haag Pieter de Putter, en in Utrecht Jacob Gillig. Opvallend is dat zij meestal riviervis schilderden, vooral baars en snoek. Geheel in overeenstemming met de tijd (plus minus 1630) zijn deze stillevens zeer eenvoudig, in grauwe of bruine toon geschilderd, veelal enkele vissen op een tafelhoek, al of niet voorzien van visvangstattributen.

Het visstuk zou nooit de roem gekregen hebben, die het nu bezit, indien van Beyeren het niet had geschilderd, want meer dan bij enige andere tak van het stilleven berust de bekendheid van het visstuk op het talent van een enkele meester, die het monochrome werk van zijn voorgangers rijker, krachtiger en kleuriger maakte.

Van Beyeren, de tovenaar met licht en kleur, zag de heerlijkheid in de sprankeling der vissenlijven, die in een voortreffelijk arrangement op een tafel uitgestald lagen. Elke schub weerkaatst licht en tezamen doen zij het lichaam een aaneenschakeling van oplichtingen zijn, glanzend en glinsterend.

Bezien we het schilderij uit het Mauritshuis. Om de compositie heen heerst een schemerig licht, waaruit de vissen naar voren komen met de felle schittering van hun glanzende lijven. Met welk een verrukking zijn de moten op de voorgrond geschilderd, waar het licht het sterkst is. Hier is het ’t blanke, soms tot lichtrood overgaand vlees, dat als doorschijnend parelmoer is, slijmerig en glibberig van substantie, dat hem uitermate boeide, en geen schilder na hem heeft het zo weten uit te beelden.

Zijn talloze stillevens hebben alle een zachte grijze toon, met een enkel kleuraccent als het geel van een koperen emmer of het rood van een vers gesneden zalm. Uiteraard behoren zij tot het monochrome stilleven, al heeft hij hen waarschijnlijk zijn gehele leven door geschilderd, en niet, zoals wel eens beweerd is, alleen in zijn vroegste periode. Eerder behoren daartoe de schilderijen, die op de achtergrond een landschap hebben, of zoals bij de visstukken dikwijls voorkomt, een doorkijkje op het strand, waar een visafslag plaats vindt.

Een kunstenaar als van Beyeren met een sterke persoonlijkheid kan niet, wat men noemt, „school maken”. Men kan hem klakkeloos navolgen zoals Isaac van Duynen en trachten de schoonheid in vorm en kleur van de meester te bereiken wat natuurlijk toch niet lukt —, of men kan zijn invloed ondergaan, waarvan meerdere onbelangrijke schilders hebben geprofiteerd, evenwel niet lang, want als in de bloeitijd het monochrome stilleven verdwijnt en plaats maakt voor kleur en warmte, dan verliest het visstuk alle belangstelling en verdwijnt spoedig van het toneel.

Nog zijn de gebieden, waarop van Beyeren zich heeft bewogen, niet uitgeput. Ook het bloemstuk heeft zijn liefde gehad, en zijn schilderijen daarvan behoren tot de mooiste, die de zeventiende eeuw heeft voortgebracht. Van Beyeren staat tussen de Bosschaertschool en de na hem komende, via de Heem onder Vlaamse invloed staande, bloemenschilders in, en neemt zodoende een afzonderlijke plaats in. Zijn bouquetten hebben een even grote verscheidenheid, maar de kleuren zijn minder bont on de compositie is minder druk. Het is alsof de kleuren getemperd zijn in een goudbruine harmonie. Prachtig is het bloemstuk uit het Mauritshuis. Sterk valt het licht op de voorste partijen, waar de schaduwen een doorschijnende diepte hebben en de rozen een plastische werking geven. Het licht bindt het gehele bouquet tezamen in een lichte,gouden glans. lets minder groots van uitbeelding is het bloemenstilleven in het Rijksmuseum, doch ook dit bevat kwaliteiten. Niet in het minst behoort daartoe de breedheid, de kracht, ja, bijna de onstuimigheid van de toets, waarachter men een impressionistische werkwijze zou vermoeden. En toch heeft van Beyeren niet naar de natuur geschilderd. Evenals zijn voorgangers stelt hij zijn composities sa-