is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 34, 1916, no 2, 12-01-1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. de te bereiken groefwijdte in m.M. !

Ook de verbindingsbout en het volgplaatje zijn te normaliseeren op de wdjze als .op de teekening is aangegeven. Opgemerkt zij, dat gebruik gemaakt wordt van „een spoorspijker v:an 14X14 m.M.

Voorgesteld wordt deze spoorspijker als de normale te beschouwen in de plaats van die van 12X14 m.M. Deze iets zwaardere spijker is te vetkiezen boven de lichtere; zelfs zonder voorboring van hardhouten dwarsliggers levert de zwaardere spij'ker volgens door den rapporteur, den heer Van Dijk, genomen proeven, geen bezwaar op, behalve wanneer men iabnormaal korte of gescheurde dwarsligg'ers bezigt. (Is dit het geval, dan dient voorboring plaats te hebben). Men dient er echter bij de keuring op te letten, dat de onderzijde vhn den spoorspijker scherp is over de geheele breedte, dus zonder afronding. Hiertegen wordt maar .al te dikwijls gezondigd en dan kan slechts door voorboring het scheuren van de liggers worden vermeden.

1 Namens de Railcommissie,

de Secretaris,

D. H. STIGTER.

Wetgeving.

Wetsontfverp pluatskaartenbelastiDg.

11. (Slot.)

De groiote stijging tusschen 1906 en 1907 van het aantal personenkilometers in de IVde klasse en de groote daling daarvan in de lilde klasse is echter niet een gevol'gl geweest v‘an de invoering der spoorwegbelasring maar van de invoering der IVde klasse op de Zuid-Duitsche spoorwegen. Door de cijfers te vergelijken met die van de Pruisisch-Hessische spoorwegen schakelt men dezen storenden invloed uit. Op die spoorwegen bedroeg het aantal personenkilometers, in millioenen;

Uit de cijfers voor de Pruisische spoorwegen blijkt, dat de eerste klasse het sterkst O'nder den invloed der belasting stond. De d.aling van het .aantal personenkilometers in die klasse tusschen 1906 en 1907 was niet .alleen groot, maar zij hield tusschen 1907 en 1908 nog aan. Tusschen 1908 en 1909 bleef het aantal personenkilometers op de Pruisische spoorwegen vrijwel gelijk. Van 1909 af begint intusschen Voor de eerste klasse weer een stijging in te treden; het aantal personenkilometers in de eerste klasse was in 1912 weer gekomen ,op het cijfer van 1905 en 1906.

Jaren. iste kl. 2de kl. 3de kl. 4de kl. 1903 1.44 12,44 36,22 45.01 1904 1,40 12,19 37.29 44.53 1905 1,42 12,14 37.83 44.16 1906 1,29 11,80 38,37 43.89 1907 1,07 11,18 37.51 45.88 1908 0,98 11,04 38,63 44.85 1909 0,89 10,97 38,90 44,76 1910 0,89 11,00 39.51 44.59 1911 0,90 10,85 40.33 43,90 1912 0,91 10,52 40,82 43.52

Na de eerste klasse ondervindt de tweede den invloed der belasting het meest. Afneming van het aantal personenkilometers is er echter in de tweede klasse tusschen 1906 en 1907 niet. Tusschen die jaren bleef het aantal personenkilometers in de tweede klasse vrij!wel gelijk. Tusschen 1907 en 1908 komt er een kleine vooruitgang die in de volgende jaren weer voor eene normale stijging plaats maakt.

Bij de derde klasse is er op de Pruisische spoorwegen van declassifiGatie nog minder sprake geweest dan bij de tweede. Wat deze klasse aan de vierde heeft moeten afgtaan, heeft zij zop goed als geheel Man de tweede teruggekregen. Tusschen igo6 en 1907 bleef de stijging beneden het normale cijfer. Van 1907 komt zij geleidelijk weder daartoe. Naar verhouding is de stijging zelfs heel wat sneller dan in de vierde klasse. j

Hierbij bedenke men, dat de eerste; klasse in Dnitschland nog veel meer een vVeelde-klasse is dan hier en dat op de Duitsche spoorwegen, in verband ook met het bestaan der vierde klasse, de derde klasse tusschen onze tweede en derde klasse, en de tweede tusschen onze eerste en tweede klasse in staat. i

Hieruit wordt 'waarschijnlijk, dat de declassificatie hier te lande van de eerste naar de tweede klasse minder sterk zal zijn dan in Pruisen en daarentegen die Man de tweede naar de derde klasse iets sterker dan daar het geval was. Dat zich het verschijnsel spoedig herstelt, blijkt uit de medegedeelde cijfers wel zeer ovtertuigend, al de belasting er wpllicht toe bijdragen da;t de verdeeling der reizigers over de verschillende klassen zich blijvend eenigjszins ten gunste der lagere klassen Verplaatst.

Dit laatste kan blijken uit de Vlolgende verhoudingscijfers voor de verdeeling van het aantal personenkilometers over de verschillende klassen op de Pruisische spoorwegen.

Jaren. iste kl. 2de kl. 3de kl. 4de kl 1903 16,6 87,2 155.4 137.6 1904 16,9 89,4 168,6 142,8 1905 18,6 96,1 184,6 151.7 1906 18,4 100,9 202,2 162,6 1907 17.1 97.0 200,1 181,0 1908 16,4 98,0 212,5 182,7 1909 16,1 104,1 230,0 197.4 1910 17.1 107,9 242,1 204,0 1911 18,3 114,0 265,1 213.7 1912 20,0 118,5 288,7 225.4

Jaren. .. iste.kl. 2de kl. 3de kl. 4de kl. 1903 232 2,008 5,848 7,298 1904 240 2,094 6,405 7,649 1905 263 2,253 7,021 8,197 1906 258 2,370 7.704 8,814 1907 227 2,386 8,000 9,786 1908 216 2,429 8,498 9,865 1909 214 2,645 9,380 10,793 1910 226 2,775 9,965 11,246 1911 243 2,932 10,898 11,865 1912 259 2,999 11,635 12,402

In procenten van het totaal bedroeg het aantal pei'- sonenkilometers in; ' ,

De uit de cijfers voor het aantal personenkilometers blijkende onderlinge verschuiving teekent zich ook af in de ontvangsten per klasse. Deze bedroegen op de Pruisische spoorwegen, in millioenen Marken, in;

Uit een en ander is duidelijk, dat de Nederlamdsche spoorwegmaatschappijen voor de eerste jaren na de invoering der belasting met eenige declassificatie zullen hebben te rekenen, doch dat het reizigersverkeer in de hoogere klassen zich spoedig herstelt. Bij het matige bedrag der voorgestelde belasting is niet te verwachten, dat de declassificatie hier grootere afmetingen zal aannemen dan na 1906 in Pruisen het geval was. Er zal zeker zelfs van tijdelijke vermindering in het totaal der spoorwegontvangsfen geen sprake zijn; de stijging dier ontvangsten zal waarschijnlijk gedurende een paar jaren in een ietwat langzamer tempo gaan. 1 r

§ 3. Als verteringsbelasting moest de heffing voor de hoogere klassen zwaarder zijn dan voor de lagere, terwijl gezorgd moest worden dat zij zoodanig Wterd geregeld dat niet te groote druk op de ondernemingen werd gelegd. De ondergeteekende is daardoor gekomen tot een toeslag van respectievelijk 15, Ben 3 procent op de bedragen van de plaatsbewijzen der eerste, tweede en derde klasse. Eene dergelijke toeslag heeft het voordeel, dat daarbij anfomatisch rekening wordt gehouden met de verschillende soorten van tarieven. Voorts kan daarbij de inning het eenviOudigst geschieden, met name ten aanzien van het buitcnlandsch en transitoverkeer. Bij de voorgestelde percentages zal de bel.asting dooreengenomen —■ wanneer men Engeland uitzondert lager zijn dan die welke geheven woridt in de overige in § i genoemde landen. Deze hef-