is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 35, 1917, no 47, 21-11-1917

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xvisnu komt de eigenlijke Rondvraag aan de orde De heer N eis z e n zou graag van de gelegenheid, dat zoo’n groot aantal lezers van „De Locomotief” bijeen is, gebruik willen maken om hun oordeel te vernemen op velke wijze men meent, dat verbetering van den inhoud vat? „De Locomotief’ is te bereiken.

De heer B urg e r s dij k betoogt:

ten eerste, dat het orgaan het nieuwsblad voor, maar ook van de tramwegen behoort te zijn. Een opwekking aan de leden om hun nieuwsberichten allereerst aan hun eigen orgaan in te zenden, zal een einde aan den toestand kunnen maken, dat het blad van de tramwegen de nieuwtjes op dit gebied uit de groote dagbladen overneemt, inplaats dat zulks omgekeerd het geval is;

ten tweede, dat het blad ook in technisch opzicht te verbeteren valt, als van de zijde der directies een krachtige medewerking wordt verleend:

ten derde, dat door het geven van korte uittreksels uit buitenlandsche bladen of van volledige vertalingen van artikels daaruit, de lezers op de hoogte gehouden kunnen woirden van den vooruitgang op het gebied van het tramwegwezen.

Natuurlijk kan dit alles onmogelijk door één rnan geschieden, maar zal een georganiseerde hulp noodig zijn. De voorzitter merkt op, dat eerst dan het blad aan de genoemde eiscben kan voldoen, als voldoende geldmiddelen daarvoor ter beschikking worden gesteld, die echter voorloopig nog ontbreken.

Besloten wordt, dat met de bestaande middelen naar verbetering gestreefd zal worden.

De Houtnood.

De administrateur deelt mede, dat de Bond van Nederlandsche Houthandelaren bij het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel heeft aangedrongen op het stellen van maximumprijzen voor brandhout, omdat thans door speculatieve aankoopen daarvan, het waarde-hout als brandhout wordt verkocht en er ernstige gevaren gaan bestaan wat betreft de houtvoorziening van talrijke bedrijven, waartoe ook de tramwegen behooren. De Bond heeft enkele tramwegondernemingen uitgenoodigd het verzoek te ondersteunen. Besloten wordt, dat een dergelijke steun van de Nederlandsche Vereeniging zal uitgaan, door het richten van een soortgelijk schrijven tot het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.

XI. Bepaling van de plaats van de volgende vergadering.

Als altijd wordt dit aan het bestuur overgelaten. Ten laatste verkrijgt de heer Loder het woord om ook mede namens zijn collega Bouw e n s dank te betuigen voor de vriendelijke woorden, die de voorzitter namens de Vereeniging tot hen heeft gericht, naar aanleiding van hun aftreden als bestuurslid. Een aangename tijd van onderlinge samenwerking wordt voor hen hiermede afgesloten. ïschter behoeft daaraan nog geen afscheid gepaard te gaan, en nog vaak hopen beide heeren als buitengewoon lid de lOntwikkeling der Vereeniging te kunnen volgen. Met een hartelijk applaus betuigt de Vereeniging instemming met deze woorden, w,aarna de voorzitter tot sluiting overgaat.

Opgemaakt October 1917. Gezien De Administrateur. 'De Secretaris-Penningmeesfer,

(w.g.) D. H. STIGTER. (w.g.) J. H. NEISZEN,

Gezien en accoord bevonden.

De Commissie tot nazien van de Notulen:

(w.g.) H. A. WALLER. (w.g.) J. ROËLL. (w.g.) F. VAN WESSEM.

Wetsontwerp tot wyziging van d« Wet van 9 Juli 1900.

De Behandeling In de Tweede Kamer.

Artikelen.

Art. la van art). I wordt vastgestel'd. Aan de orde i's art. ib.

Amendemen t-K leerekoper.

Door den "heer Kleerekoper wordt voorgesteld om in art. Ih, luidende:

„Voor den aanleg van een locaalspoorweg of van een tramweg en de uitvoering van den dienst op dien locaalspoorweg of op dien tramweg wordt eene door Ons of met Onze machtiging verleende concessie vereischt.

De concessie wordt niet verleend, dan nadat Gedeputeerde Staten zijn gehoord.

De concessie houdt, voor zooveel tramwegen betreft, voorschriften in ter verzekering, dat bepalingen omtrent rechten en verplichtingen der beambten en bedienden van den spoorwegdienst worden onderworpen aan de goedkeuring van Onzen Minister voornoemd en door dezen kunnen worden vastgesteld, voor zooveel overeenstemming met bestuurders van den spoorweg ontbreekt.

Ten aanzien van buitenlandsche spoorwegdiensten, welke mede hier te lande worden uitgeoefend, kan worden afgeweken van het bepaalde in het voorgaande lid.”,

in de derde alinea na de woorden: ~van den spoorwegdienst” in te voegen: ~en eene herziening van die bepalingen telkens na ten hoogste vijf jaren.”

De heer Kieerekoper wenscht dit zeer eenvoudige amendement met een enkel woord toe te lichten.

In dit artikel wioirdt omschreven hoe de Regeering zal kunnen ingrijpen in de dienstvoorwaarden voor het personeel. Dit moet in de concessie worden geregeld. Dezelfde regeling is gemaakt als voor bet spoorwegpersoneel geldt. De Minister stelt eischen voor de dienstvoorwaarden en eerst ,als de maatschappijen daaraan niet voldoen, stelt de Minister categorisch vast wat hij wenscht. Wat is nu de quaestie ? De Minister heeft van die concessies al uitgegeven. Hij heeft gehuldigd het principe, dat in sprekers amendem'cnt is vervat, o.a. dat de Minister veranderingen kan aanbrengen in de arbeidsvoorwaarden. Voorts is de termijn van 5 jaar genoemd. Intusschen staat de zaak zoo, dat, wanneer het wetsontwerp blijft zooals het is voorgesteld, niets vaststaat. Dan hangt biet van den Minister af of de concessie al of niet zal worden herzien. Dit lijkt spreker gevaarlijk. Wanneer deze Minister wordt opgevolgd door een Minister, die er principieel geen voorstander van is, dan zou hij zijn standpunt kunnen handhaven met de wet in de hand. Daarom zou spreker de periodieke herziening na ten hoogste 5 jaar willen vastleggen, om' daarmee de bevoegdheid voor den Minister te krijgen, altijd te kunnen ingrijpen en zeker te kunnen ingrijpen om de vijf jaar. Dan krijgt men een wettelijken waarborg, dat het toezicht van den Minister meer beteekent dan een woord.

Spreker heeft het woord „ten hoogste” ingevoegd met het oog op het feit, dat het tweemaal is voorgekomen, dat de Minister een jaar wilde wachten en het personeel ook den wensch daartoe te kennen gaf.

Spreker wil in de wet vastleggen, dat de Minister de arbeidsvoorwaarden in de concessie regelt en die na ten hoogste 5 jaar moet herzien.

De heer Lely, Minister van Waterstaat, zegt, dat hij tegen de bepaling niet het minste bezwaar heeft. Ook hij is van meening, dat de wenschelijkheid bestaat, dat om de 5 jaar een herziening plaats heeft.

Spreker vraagt zich echter af, waarom de heer Kieerekoper juist dit punt in de wet naar voren wil brengen. Spreker gelooft dat de omschrijving van de dienstvoorwaarden voldoende is. Als men alles overlaat aan den Minister omtrent belangrijke zaken, moet men een ondergeschikt punt niet in de wet regelen. Hetzelfde heeft men bij de spoorwegen.

Is het nu noodig bij -deze wet voor een enkel onderdeel zooveel verder te gaan ? Spreker herinnert aan de opgedane ondervinding. Aanvankelijk was de bepaling opgenomen dat de arbeidersvoorwaarden om de 5 jaar zouden moeten worden herzien. De heer Kieerekoper heeft nu daarvan gemaakt „ten hoogste”. Bij het personeel der groote heeft zich het verschijnsel voorgedaan, dat het wenschelijk was dat die termijn werd verlengd.