is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 37, 1919, no 3, 15-01-1919

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel tol ICO pCt., nraar het absolute bedrag wordt vanzelf ook zeer klein. Nu zou ik aan de Regeering de gelegenheid willen geven om daar waar zij meent dat dit wenschelijk is, toch een subsidie te geven in pilaats van een renteloos \ oorschot. Ik wensCh dus de redactie van art. i zoo soepel te maken, dat de Regeering het te allen tijde in de hand zal hebben om óf een subsidie óf een renteloos voorschot te geven. dat ik v:oorstel, in overleg met mijn \ ricnd \'an der Waerden, om art r. sub 1>, te lezen als volgt:,.Wat subsidiën betreft, dat deze, ,,tenzij door Ons afwijking van deze bepaling noodzakelijk wordt geacht”, niet worden uitbetaald dan enz.”, waarmede ik dus wil zeggen, dat het mogelijk zal zijn bij Koninklijk besluit van regel dat streek en Regeering even veel moeten doen, af te wijken, wanneer zich een geval voordoet dat de eerste onmachtig is om bij te dragen. Het oordeel blijft dan bij de Regeering en in ieder gev'al heeft deze dan vrijheid om verder te gaan dan bij haar eigen redactie. Afwijking zal echter steeds een uitzondering blijven.

Het amendement van de heeren Oudegeest en Van der Wairden wordt ondersteund door de heeren Duys, L. M. Hermans, Heijkoop en Sannes, en maakt derhalve een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Oudegeest: Mijnheer de \morzitterl Het spijt mij, dat ik met het amendement van den heer Niemeijer niet zal kunnen méégaan. Indien ik daarmede had kunnen meegaan, z-ou mijn eigen amendement niet zijn gesteld. De heer Niemeijer zet het wetsontwerp eenvoudig om in een nieuw wetsontwerp. In plaats van rentelooz-e voorschotten wil hij in alle subsidies verleenen en dat lijkt mij wee-r w'at te ver te gaan in de richting di« ook ik overigens w'ensch. Wanneer wij dit wx'tso-ntwerp aannemen,, en de Rv-'geering heeft niet de vrijheid om rentelooz-e voorschotten te gev'en, dan moeten wij subsidie geven 00-k aan die maatschappijen, die slechts renteloos voorschot vragen of w-enschen. Dat is plus roya 1 i s te' qu e Ie roi. N,a d,e toelichting van den heer Niemeijer ben ik nog huiveriger geworden om het amendement te ondersteunen, omdat hij hiermede eigenlijk onze tramwegexp-loitatie wenscht te doen vo-ortgaan op de wijze, waarop zij tot dusver wordt gevoerd.

– Hij heeft ons gisteren gezegd: alleen en uitsluitend het stelsel van subsidieering is in staat onze trainwegexploitatic te verbeteren. Voor hem is dus op' bet oogcnblik het gansche vraagstuk van die exploitatie afgedaan met de beslissing van de quaestie of de ondernemingen een, ' klein subsidie krijgen, en nog wel op een zeer onjuiste leest geschoeid. De heer Niemeijer gaat namelijk uit van de redeneering: kolen, olie, poetskatoen e.d. zijn ontzettend veel duurder geworden en dat levert den grondslag voor het subsidie. Maar die ondernemingen, die in den loop van den tijd belangrijke loonsverhoogingen hebben toegestaan, komen daarmede ten .achter bij die, welke de oude loonen hebben en uitsluitend hebben gekeken naar de exploitatic-uitkomsten, opgeleverd door de vcrhoogingen in de prijzen der noodzakelijke materialen. Ik geloof dat deze gansche maatstaf onjuist is. Wanneer w'ij het standpunt van den heer Niemeijer gaan innemen, en ons daarbij uitsluitend baseeren op dezen grondslag, gaan w'ij den verkeerden weg op. Wij zullen dus stemmen tegen het amendement van den heer Niemeijer.

De heer Van Ryckevorsel: Mijnheer de Voorzitter! Ik gevoel weinig voor het amendement van den heer Niemeijer, en wel om de reden, die ik reeds gisteren heb genoemd, dat ik niet ben voor het gooien met goed naar kwaad geld.

Ik heb gisteren mijn instemming betuigd met het aanhangige ontwerp, omdat ik meende, dat dit is het onafwijsbaar minimum aan geld, dat terstond aan de maatschappijen moest worden verstrekt om de zaken in de buitengewone omstandigheden gaande te houden, meer niet, maar ik wil den Minister vooral niet opdringen meer geld te geven, dan absoluut noodig.

Bovendien ben ik het geheel eens met den heer Oudegeest, dat ook de grondslag, dien de heer Niemeijer voor de berekening der subsidies aanneemit, niet juist is. Hij rekent alleen met een van de factoren, die in de buiten-

gewone omstandigheden de onkosten hebben verhoogd, de kolen en niet, met de loonen, de olie, de poetsmiddelen, de reparatie, het onderhoud van weg, werken en materieel.

Wat het amendement-Oudegeest betreft, ook daarvoor ben ik niet geporteerd, omdat de heer Oudegeest ook subsidie .mogelijk wil maken, zelfs als de betrokken streek niet ol niet voldoende medewerkt, of kan medewerken, zooals de heer Duys hier opmerkt. Ik wil den Minister niet opdringen in dat geval subsidie te geven. Als in een streek zo-o weinig goede wil ot macht wordt gevonden om zoo’n maatschappij te helpen, geloof ik, dat het oogenblik gekomen is, dat de maatschappij moet verdwijnen. Dan moet de Minister m.i. op andere wijze tot een oplossing komen, in de richting van concentratie, zooals hij zich voornemens heeft verklaard te zullen doen.

De heer Reinig, Minister van Waterstaat; Mijnheer de VOtorzitter! Tegen het amendement-Oudegeest heb ik, al is de grondgedachte aantrekkelijk, bezwaar, omdat ik voorzie, dat, wanneer belanghebbenden weten, dat het Rijk ten slotte toch zal bijspringen, het heel moeilijk zal worden de verleiding om dat af te wachten te weerstaan. Ik heb dat ondervoinden in Noordbrabant. Wanneer men weet: ten slotte doet het Rijk het toch, vrees ik, dat van de gemeente- en de provinciale subsidies niet veel terecht zal komen. Ik geloof daarojn, dat de Kamer verstandig zal doen, dit amendem-ent niet aan te nemen.

Wat betreft het amendement van den heer Niemeijer, ofschoon ik tegen de gTondgodachte ook daarvan op zich zelf misschien geen overwegende bezwaren zou hebben, acht ik ,het toch boter, de zaak zoo te laten, althans nu het voorschotalternatier zou ontbreken, De maatschappijen zullen wel degelijk krijgen alles wat zij te kort zijn gekomen. De quaestie is, wie het zal betalen. De Regeering stelt voer, dat in geval van subsidie de eene helft zal worden bc'ta.ald door het Rijk en de andere helft door de belanghebbenden, doch de heer Niemeijer wil voorschotten uitsluiten en dan bovendi'cn alles \'oor rekening van het Rijk nemen, en alleen het bedrag aan steenkolen in aanmerking nemien. Doich behalve de hoogére steenkolenprijzen hebben ook de hoogere prijzen der smeermiddelen en de hoogere loonen en duurtc’bijslagen bijgedragen tot het tekort. Dia tekorten wordcm nog grooter, wanneer bij het verlecncn der renteloo.re voorschotten de verplichting wordt opgelegd hoogere loonen of bijslagen uit te keeren. De mogelijkheid besta,at derhalve, dat men in dat geval de maatschappijen niet voldoende zal kunnen helpen. Ik acht het bovendien niet raadzaam geen .andere mogelijkheid te laten dan het gebeele tekort voor rekening van het Rijk te nemen; de belanghebbenden dienen daarin bij te dragen. Wat betreft het denkbeeld, om de regeling eerst aan het einde van het jaar te doen werken, door pas het tekort over het geheele jaar als maatstaf te nemen, ook daartegen heb ik bezwaar, zij het dan van minder overwegend belang, omdat daarvoor misschien een vorm kan worden gevond.-'n. Toch zou ik de aanneming ook van dat deel van het voorstel moeten ontraden.

De heer Niemeijer: Mijnheer de Voorzitter! Ik ben den Minister ten zeerste dankbaar, dat hij heeft verklaard, geen overwegend bezwaar te hebben tegen mijn amendement. Ik zou er de aandacht op willen vestigen, dat in mijn voorstel niet wordt gesproken van een bepaald bedrag, doch dat het kolenverbruik de maatstaf zal zijn. Dat geeft voldoende vrijheid aan de Regeering naar omstandigheden het bedrag te bepalen.

'Het feit, dat het kolenverbruik over 1918 de maatstaf zal zijn, kan toch niet wordien aangevoerd als een ernstige vertraging. Het jaar is bijna ten einde, dus het bedrag is zeer snel vast te stellen. Dic bezwaren, die de Minister heeft aangevoerd, behoeven dus geen aanleiding te zijn om het voorstel niet te aant\’atirden.

De heer Oudeg'eest heeft nog gewezen op een naar hij het noemde schaduwzijde \'an dit voorstel, n.l. dat op deze wijzte in Üe tiOekomst geen wijziging in de exploitatie van de tramwegen kan worden gebracht. Dat is volkomen onjuist.