is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 38, 1920, no 37, 15-09-1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsblad No. 701, waarbij de wet van 1900 gewijzigd werd.

Zooals we reeds zagen bepaalde deze wet, dat het verleenen van vergunning tot aanleg en instandhouding van tramwegen voorzien van een Rijksconcessie op alle openbare wegen behalvei Rüjkswegen uitsluitend behoorde tot de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten, zoodat daardoor het beschikkingsrecht ontnomen werd aan de beheerders, dus aan Provinciale Staten wat betreft de provinciale wegen. Nu hadden de Staten van alle provinciën behalve van Friesland en Overijssel wel Gedeputeerde Staten reeds gemachtigd dergelijke vergunningen te veideenen, zoodat schijnbaar in den bestaanden toestand geen wijziging kwam. In werkelijkheid is de verandering echter zeer groot. Verleenden Gedeputeerde Staten voor de inwerkingtreding der wet de vergunning als gemachtigden van Provinciale Staten, ha de inwerkingtreding der wet doen zij’ het nis uitvoerders der wet.

Bij de overdracht van hun bevoegdheid aan Gedtmuteerde Staten konden Provinciale Sta,ten voorschrijven hoe de vergunning gevraagd moest worden, welke formaliteiten bij *de behandeling in acht genomen zouden worden en welke voorwaarden aan de vergunning verbonden zouden worden. Thans echter heeft de wetgever daaromtrent voorschriften gegeven, waardoor in overeenstemming met het algemeene beginsel van ons Staatsrecht, dat lagere machten z.tich hebben te onthouden van de regeling van orlderwerpen, jdie reeds door een hoogere macht geregeld zijn, aan Provinciale Staten iedere bevoegdheid is ontnomen ten aanzien van dit onderwerp regelend op te treden, en dus alle voorschriften, die hierop betrekking hebben van wege vervallen zijn.

‘ZiCHoals ik reeds opmerkte geldt dit alleen voor tramwegen voorzien van een Rijksconcessie. Voor de tramwegen, die nog niet in het bezit zijn van een dergelijke concessie, blijft de oude toestand bestaan, zoodat ten aanzien daarvan Provinciale Staten hun vroegere bevoegdheden hebben behouden en de door hen vastgestelde voorschriften van kracht zijn gebleven. Dit zal evenwel niet lang meer duren, omdat thans alle tramwegen ingevolge de Locaalspoor- en Tramwegwet een Rijksconcessie zullen moeten aanvaarden. De geconcessioneerde tramwegen zullen, indien zij vergunning noodig hebben voor aanleg op openbare wegen dus niets te maken hebben met de door Provinciale Staten gegeven voorschriften betreffende teekeningen en andere 'bescheiden, die bij de vergunningaanvrage moeten worden

overgelegd. Intusschen zal het mijns inziens toch wel aanbeveling verdienen bij de aanvrage aan Gedeputeerde Staten ingevolge de wet daarbij over te leggen de stukken, die eventueel in de provinciale voorschriften werden genoemd. De wet schrijft alleen voor de inzending van een „beschrijving met teekeningen” en geeft dan voorschriften aan Gedeputeerde, Staten hoe de aanvrage behandeld moet worden, indien zij deze stukken voldoende hebben bevonden. Zeer waarschijnlijk zullen Gedeputeerde Staten de stukken wel niet voldoende bevinden, als niet alle stukken zijn overgelegd, die vroeger verlangd werden.. (Wordt vervolgd.)

Jaarverslagen 1919.

Tramweg-Mfj. „De Meijerlj” en „Eindhoven—Geldrop”.

De exploit. van de Tramweg-Maatschappijen „de Meijerij” en „Eindhoven—Geldrop” was in het afgeloopen boekjaar gunstiger dan in het boekjaar 1918, zoowel door de hoogere bruto-exploitatie-ontvangsten resp. / 21.418,861/2 en / 24.458,03, als door de lagere exploitatie-uitgaven, resp. / 23.457,961/2 en f 8.578,031/2, tengevolge van de restitutie, door de Regeering verleend op de brandstofprijzen en door de lagere olieprijzen.

a. Tramweg-Maat schap pij „D e M e ij e r ij”. De hoogere exploitatie-ontvangsten waren een gevolg van de hoogere opbrengst van alle onderdeelen van de exploitatie.

uitgezonderd van de opbrengst van het vervoer van goederen.

De groote toename van het aantal reizigers, vervoerd volgens het Algemeen Tarief, wijst er op dat de vermindering van het vervoer van deze reizigers, in 1917 ontstaan door de in het verslag over dat jaar vermelde redenen, zich weder herstelt en wel zonder dat in 1919 eenig buitengewoon reizigersvervoer heeft plaatsgehad. De groote vermindering van het aantal militaire reizigers op crediet (15.508 met eene mindere opbrengst van / 4.812,111/2) is een gevolg van het terugtrekken van alle, tijdens de mobilisatie, in het vervoergebied gelegerde militairen. In 1919 werden 11.938.800 K.G. en in doorgaand verkeer met de Tramweg-Maatschappij „Eindhoven—Geldrop” 2.439.700 K.G. vracht- en bestelgoederen minder vervoerd. De oorzaken van dit mindere vervoer zijn:

a. door eene ruimere verstrekking van steenkolen werd het vervoer van brandhout, dat in 1918 in zeer groote hoeveelheden vervoerd werd weder normaal, terwijl de mijnen uit andere streken het benoodigde raijnhout betrokken;

b. het vervoer van materialen, bestemd voor het Wilhelmina-kanaal sectie Son, verminderde aanmerkelijk door de vorderende werkzaamheden;

c. daar de woningbouw „Volkshuisvesting” te Woensel in 1918 gereed was, werden hiervoor in 1919 geen materialen vervoerd. Daar de verhooging tot 125 procent boven de m 1898 vastgestelde maximum-tarieven eerst op 18 October 1918 in werking was getreden en dus in laatstgenoemd jaar eerst vanaf dien datum haar invloed deed gelden, was, niettegenstaande de vermindering van het vervoer, de opbrengst zoowel in locaal- als in doorgaand verkeer honger (respectievelijk / 1.209,13 en f 518,55)- De hoogere opbrengst van het vervoer van bagage was een gevolg van de vermeerdering van het reizigersvervoer. De mindere opbrengst van het zandvervoer was een gevolg van het niet leveren van zand voor particuliere bouwwerken

Daar het hoogere tarief voor het afhalen en bezorgen van goederen over het geheele jaar 1919 invloed deed gelden, daarentegen in 1918 eerst vanaf 18 October, waren de Diverse Ontvangsten in 1919 ƒ 9.405,36 hooger. Behalve dat door het sluiten van de „Tweede Nadere Overeenkomst” met het Rijk, in Juni 1919, de vergoeding voor het postvervoer verhoogd, werd, werd, bij Ministeriëele Beschikking van 22 October 1919 No. 34 Afdeeling Posterijen en Telegrafie, de vergoeding voor dat vervoer tot wederopzegging verhoogd met 75 procent, te rekenen vanaf I April 1918. Het bedrag dezer suppletoire verhooging over 1919 bedroeg / 4.915,051/2; de suppletoire verhooging over 1918, ten bedrage van f 3.022,56, werd eveneens ten voordeele van de exploitatie over 1919 gebracht. De opbrengst per dagkilometer bedroeg in 1919 f i4>39 tegen / 13,65 in 1918.

b. Tra m w e g-Mij. „Eindhoven—Geldrop . De hoogere exploitatie-ontvangsten waren een gevolg van de hoogere opbrengst van alle onderdeelen van de exploi-

tatie. . . De groote vermeerdering van het aantal reizigers, vervoerd volgens het Algemeen Tarief, waardoor de achteruitgang van het aantal reizigers in 1918 ten opzichte van 1917 hersteld werd, was een gevolg van de zeer beperkte dienstregeling der Staatsspoor op het traject Eindhoven—Helmond op Zon- en feestdagen, het vervoer van werklieden des Zaterdags van Eindhoven naar Helmond en tusschengelegen plaatsen en het vervoer van Eindhoven en Helmond naar het tusschen Geldrop en Mierlo gelegen Lustoord „Molenheide”. .

De groote vermindering van het aantal militaire reizigers op crediet (4,139 lagere opbrengst van / 1.022,06) is een gevolg van het terugtrekken van alle, tijdens’de mobilisatie, in het vervoergebied gelegerde militairen. , „ . T 1 • 1 niSl K (t crniP-nf^ieïl

In 1919 werden in locaal verkeer 970.000 K.kr. goeueren meer, daarentegen in doorgaand verkeer met de Tramweg-