is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 38, 1920, no 48, 01-12-1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Indische spoor- en tramwegondememingen, zich rekenschap gevende van de nadeelen, die uit tariefsverhooging voortspruiten, in het bijzonder voor het vervoer ten behoeve van de Inlandsche bevolking, hebben zich na het uitbreken van den oorlog zoolang mogelijk van tariefsverhooging onthouden. Toen ten slotte de stijgende kosten der loonen, materialen en brandstoffen eene verhooging der vrachten onvermijdelijk maakten, is daarmede niet verder gegaan dan strikt noodig was.

Niettemin is de vrachtsverhooging thans hier en daar reeds van befeekenis. Op enkele lijnen, die in de minst gunstige geldelijke omstandigheden verkeeren, betaalt de« Inlandsche reiziger, die voorheen voor één cent per kilometer werd vervoerd, nu de helft meer. De aanhoudend stijgende kosten zullen nog tot verdere verhooging nopen; in hoeverre het verkeer die zal kunnen dragen en niet vermindering van het verkeer daarvan het gevolg zal zijn, is nog niet te zeggen. In elk geval behoort zoodanige verhooging niet plaats te hebben om redenen, die in geenerlei verband staan tot het verkeer. Het is ongerechtvaardigd dat hij, die per spoor of per schip reist of daarmede goederen doet vervoeren, verplicht wordt méér bij te dragen in de algemeene lasten dan andere staatsburgers. «

§2. De belasting noodzaakt tot tariefsverhooging in een voor het verkeer ongunstigen vorm.

Aan de vrachtbepaling wordt bij de spoor- en tramwegondernemingen de uiterste zorg gewijd. Zorgvuldig wordt vermeden de grens te overschrijden van hetgeen elk onderdeel van het vervoer kan dragen: vooral bij tariefsverhooging wordt hieraan aandacht geschonken.

De wetgever kan bij het heffen eener verkeersbelasting niet met gelijke zorg te werk gaan. De voor Ned.-Indië voorgestelde belasting zal, wat de reizigers betreft, naar gelijk percentage worden geheven van alle klassen van vervoer; dit in tegenstelling met verschillende andere landen, waar men de laagste vervoersklasse onbelast laat of minder zwaar belast dan de hoogere klassen. Het goederenvervoer zal worden belast naar de hoeveelheid, onafhankelijk van den aard van het goed en van den afstand, waarover vervoerd wordt. Alleen het reizigersvervoer over kleine trajecten en het vervoer van goederen met een gewicht van één ton en minder zullen vrijgesteld worden. Waarschijnlijk is de dienst der Staatsspoorwegen over de regeling der belasting geraadpleegd en heeft deze daarin geen bezwaar gezien. De bijzondere spoor- en tramwegondememingen zijn echter niet gehoord. Bij de tramwegen is het verkeer veel gevoeliger voor vrachtsverhoogingen dan bij de groote spoorwegen en moet nauwgezet met plaatselijke toestanden rekening worden gehouden; de invloed eener verkeersbelasting kan daar zeer schadelijk werken.

§3. De belasting thans matig zal later allicht verhoogd worden.

Erkend moet worden dat de voorgestelde heffing matig is. Uit dien hoofde, en ook omdat de inkomsten der bevolking thans stijgende zijn, zullen de bezwaren zich aanvankelijk niet ernstig doen gevoelen. Dit zal anders worden zoodra, gelijk weldra te verwachten is, die stijging ophoudt en men daardoor weder tot zuinigheid wordt genoopt. Het is voorts te voorzien dat de belasting— eenmaal in beginsel aanvaard zijnde geleidelijk zal worden ververhoogd. Ook elders is dit geschied. In Frankrijk steeg de heffing voor het personenvervoer van 10 pCt. geleidelijk tot 23,2 pCt. van de vracht, in Hongarije die voor personenen bagagevervoer van 10 pCt. tot 18 pCt. In Spanje werd aanvankelijk eene belasting ingevoerd op de plaatskaarten van 10 pCt.; de opbrengst werd vervolgens afgestaan aan de spoorwegmaatschappijen als subsidie, maar daarna is wederom 15 pCt. belasting ingevoerd ten behoeve van den Staat.

De omstandigheid, dat de inning dezer belasting voor den fiscus uiterst gemakkelijk is omdat de daaraan verbonden arbeid en moeilijkheden ten laste van de ondernerhingen worden gebracht, zal de latere verhooging ongetwijfeld bevorderen.

§4- Vooruitzicht dat vervoer zal overgaan van de spoor- en tramwegen naar de openbare wegen.

Het vervoer per spoor en per schip zal worden belast maar dat per automobiel en pèr kar zal worden vrijgelaten. ïfet is bekend dat in vroeger tijd, toen op Java de spooren tramwegen ontbraken en het vervoer uitsluitend per kar geschiedde, het onderhoud der openbare wegen tot de zwaarste lasten der bevolking behoorde. Thans is die last door de schatkist overgenomen; zij is echter belangrijk verlicht omdat het vervoer grootendeels op de ijzeren wegen is overgegaan.

De verkeersbelasting zal den terugkeer van dit vervoer naar de openbare wegen bevorderen; thans per automobiel. Niet alleen is dit eene onbillijke benadeeling van de spoor- en tramwegondememingen, maar het is ook uit een economisch oogpunt af te keuren, omdat hooge uitgaven voor het onderhoud der wegen daarvan het gevolg zullen zijn. ,

§ 5. Verkeersbelastingen,in andere landen. Tot rechtvaardiging van de invoering eener verkeersbelasting in Ned.-Indië beroept de Memorie van Toelichting zich op het voorbeeld van andere landen. Eén zoodanig beroep heeft slechts dan waarde, indien rnen zich grondig rekenschap geeft van de omstandigheden, die elders tot de invoering aanleiding hebben gegeven. In Engeland en Frankrijk hebben de belastingen op het vervoer per spoor een historischen oorsprong. Zij zijn de voortzetting van de bedrijfsbelastingen, welke aldaar reeds vóór het bestaan der spoorwegen werden geheven van de openbare vervoermiddelen op de gewone wegen. 1)

In Engeland en h rankrijk beoogde men de ondernemingen te treffen 2), niet de reizigers, in tegenstelling met het aanhangige voorstel dat een heffing van reizigers en vervoerders wil invoeren.

In Duitschland werd de Reichsfahrkartensteuer ingevoerd als een der middelen tot dekking der sterk gestegen rijksuitgaven, waarvoor het Rijk geen voldoende bijdragen van de Bondsstaten kon verkrijgen; de Fahrkartensteuer was dus niet anders dan eene verkapte bijdrage van de Bondsstaten, die de spoorwegen exploiteeren, aan het Rijk. De te lande aan den dag gekomea bezwaren hebben er toe geleid, dat bij de eenige jaren geleden voorgenomen Reichs f i n an z-R efo r m de afschaffing der Fahrkartensteuer is voorgesteld. Zij bleef slechts gehandhaafd, omdat de schatkist de opbrengst (23 millioen Mark) niet kon missen.

De andere landen van Europa, die eene verkeersbelasting hebben ingevoerd (Oostenrijk, Rusland, Spanje, Italië), hebben een zoo slecht geregeld financiewezen, dat men zich op belastinggebied op hun voorbeeld niet mag beroepen. Wat Nederland betreft zij in herinnering gebracht, dat het in 1915 ingediende wetsontwerp tot heffing eener plaatskaartenbelasting 8) (Gedrukte Stukken 1915—1916 215)

1) In Engeland bedroeg de belasting volgens de wet van 1832 lid.. per afgelegde mijl voor diligences, 7 sh. per week voor huurrijtuigen en 1 d. per mijl en per reiziger voor de spoorwegen. In Frankrijk werd zij in 1797 ingevoerd, toen de Staat de bedie. ing van de po-t opgaf en overliet aan de particuliere vervoersondernemingen. De heffing strekte ter vergoeding van het gemis aan inkomsten, dat daaruit voor de schatkist voortvloeide. Bij een wet van 1838 werd zij ook op de spoorwegen toepasselijk verklaard. 2) Cohn, Englische Eisenbahnpolitik Dl. II blz. 310, zegt van de Engelsche belasting. „Ihr Sinn war also eine Besteuerung des Gew'erbes".

3) De Memorie van Toelichting tot het wetsontwerp tot invoering eener in Nederland geeft uitvoerige beschouwingen betreffende de gevolgen der declassificatie voor de ontvangsten der spoorwegondernemingen. Zij geeft van den teruggang dier ontvangsten echter een onjui te, voor de ondernemingen veel te gunstige voorstelling, omdat bij het maken van gevolgtrekkingen uit de medege<leelde opgaven betreffende den gang van het vervoer in Duitschland onder de werking der Fahrkartensteuer belangrijke factoren uit het oog werden* verloren, o.a. de invloed van eene spoedig op de invoering der Fahrkartensteuer gevolgde tarief herziening, welke de werking der belasting voor een deel ophief, en de uitbreiding van het spoorwegnet in Duitschland met de daaruit voortgevloeide stijging van ontvangsten. De beschouwingen in de bedoelde Memorie vervat, hebben daarom weinig waarde.