is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 38, 1920, no 51, 22-12-1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IS, reeds in den bouw aangebrachte en b.v. door kelderzwam of dergelijke houtveraielende schimmels aangetaste houten onderdeelen nog achterna te impregneeren; aldus wordt geheel vermeden het nadeel van alle tot nu toe in zwang zijnde methodes, dat (vooral bij naaldhout) enkel de b u it e n r a n d der houtdoorsnede doelmatig geconserveerd wordt en groote gedeelten daarvan (inwendig) in ’t geheel niet.

Terwijl bij loofhout de doorloopende leiding-k'analen der vaten, de ruime parenchym-cellen, de houtvezels en mergstralen met groote openingen, en de ineenloopende cellen, het binnentreden v'an het conserveerings-middel eenigszins begunstigen ondervindt het ingeperste impregneermiddel bij de rondom gesloten houtcellen (Tracheïden) een sterken tegenstand.

Aangezien bovendien de conserveerende vloeistof enkel tot in het splinthout, niet tot de kern doordringt, is van de ons bekende naaldhoutsoorten alleen het pijnhout er voor geschikt; minder bruikbaar is Laryx-hout met 15 tot 20 inM. splint. Sparren- en dennenhout hebben saphoudend splint, met een dergelijken anatomischen bouw als de kern en ook van gelijke gesteldheid ten opzichte van de conserveering.

Reeds Haltenberg (D. 14. Patent 244.659) zag in, dat het doelmatig was, het hout op te boren om de conserveerende vloeistof beter te doen doordringen. Op deze wijze werd het hem mogelijk, ca. der doorsnede te impregneeren.

De hier behandelde nieuwere methode maakt, evenals die van Hallenberg, gebruik van kunstmatige openingen m den paal of het te conserveeren stuk hout; hier echter worden deze niet door boorgaten maar als „s plet e n” of „prikken” gevormd, door het insteken van een puntig pijpje met nagenoeg ovale doorsnede. Dit levert het voordeel op, behalve tijdsbesparing, dat de houtvezels niet beschadigd worden en de trek-, noch de buigingssterkte der vezels wordt verminderd.

De gang van zaken is nu als volgt:

Het stuk hout wordt door middel van het daarvoor ingerichte toestel van een aantal „ent-prikken” voorzien, 4 tot 8 cM. diep en op een onderlingen afstand van 6 tot 8 cM., die in een om ’t hout heenloopende spiraallijn liggen. Bij het terugtrekken van het holle entpijpje uit de spleten of prikken wordt, door het pijpje heen, een sterk geconcentreerde impregnecrings-vloeistof ingespoten en wel, wat overvloediger dan voor het vullen van de vrijkomende spleet noodig is. Hierdoor wordt de conserveerende stof met geweld en zonder haneren in het hout eedrongen.

Wclvi dl iC\Jllvlcl Xll IICL llDLll, Voor het beoogde doel is het gewenscht, dat de impregneerende vloeistof uit 3 soorten van chemicaliën bestaat, waarvan de eerste een osmotischen druk ontwikkelt, de tweede bijzonder sterke antiseptische eigenschappen bezit en de derde een zeer langdurige werking uitoefent. Voor de eerste groep kan men nemen: Chloriden van metalen, n.1. chloorzink, chloormagnesium of chloorcalcium, èf wel suikeroplossingen.

Voor de tweede groep zijn geschikt: Sublimaat (H(/ CL), organische desinfectie-middelen, zooals Phenol en Kresol; of nitraten, fluoor- ot chroomverbindingen. Voor de derde groep dient men moeilijk oplosbare antisêptica èf metaalpoeder te kiezen, die langzamerhand door de inwerking van den grond in hun verbindingen overgaan en nog tientallen van jaren de omgeving van de entprikken met rottingwerende oplossingen doortrekken. Bijzonder geschikt blijkt b.v. het volgende mengsel te zijn:

80 deelen chloorcalcium, verzadigde oplossing.

15 deelen kalium-chromaat. 5 deelen poedervormig koper.

Ten einde te voorkomen, dat de oplossing bij het terugtrekken van het entpijpje weer uit de spleet wegvloeit is het goed, er korrelachtige stoffen onder te mengen, b.v. baksteen-gruis, glaspoeder, gemalen puinsteen, kiezel-goer of iets dergelijks. De te impregneeren stukken hout moeten vochtig zijn

en na dc „inenting” zóó worden opgeborgen, dat zij niet kunnen uitdrogen.

Het impregneeren begint nu op deze wijze door te werken, dat onmiddellijk na de injectie, van de nabij de entspleten gelegen plaatsen, een levendige osmotische strooming uitgaat, die het sterk geconcentreerde impregneeringsmiddel naar de met zuivere waterdeelen gedrenkte houtcellen doet wegtrekken Deze diffusie- of uitspreidingsgebieden breiden zich allereerst binnen het jonge hout der jaarringen uit, door de meer dunwandige cellen van het xylema heen en trekken van dadr, loodrecht op hun eerste richting, naar de dichtere plekken van het oude hout.

Het voordeel dezer methode 'ligt in de eerste plaats daarin, dat een uiterst grondige impregneering wordt bereikt, die wel is waar haar 'tijd most hebben, maar toch gerekend kan worden, reeds gedurende de technische bewerking van het hout te beginnen. Hoe vochtiger het hout later is als het in den grond of in de buitenlucht staat, des de eerder de ent werking van het impregneeren tot haar recht.

Boor de eigenaardige, samenvoeging dezer chemische stoffen wordt de snelheid van doordringing der bactericide (bacteriën-doodende) lonen naar de houtcellen, die geringeren osmotischen druk hebben, belangrijk bevorderd. Aan den anderen kant maakt de aanwezigheid der onder dc 3e groep genoemde chemicaliën een krachtige beveiliging van het hout tegen bederf mogelijk zelfs dan, ais een deel der andere stoffen door het bodemvocht zou zijn uitgeloogd.

Bij het aanbrengen der „spleten” of „prikken” moet de diepte verband houden met de totale houtdikte.

itvuucn iiicL vic iv/iciit. iiuuuaiivic. De zich om de spleetkanalen spoedig uitbreidende diffusie-gebieden gaan langzamerhand in elkaar over en „vergiftigen” zoodoende het geheele inwendige van het hout, juist zoo als bij de werking van het door een slangenbeet ingespoten gif. Daarom wordt deze methode van houtverduurzaming de „Ko b r a”-m e t h o d e genoemd, naar de „Kobra-slang”.

Zij is oneindig economischer dan de bestaande drenkingsof impregneeringsvijzen, waarbij de stukken hout maar in hun geheel, – z rnder onderscheid te maken tusschen meet en minder gevaar loopende gedeelten, worden gedrenkt resp. geïmpregneerd, en waarbij toch slechts de bij het buitenvlak gelegen deelen daarvan profiteeren. (Helios.)

Jaarverslagen 1919.

Samarang-Joana Stoonitram-Slaatgchapplj.

Algemeene m e d e d e e 1 i n g e n.

De geldelijke uitkomsten van het bedrijf der Maatschappij zijn in het afgeloopen jaar wederom bevredigend geweest. De bruto-opbrengsten der lijnen bedroegen in ronde cijfers f 3.475.000, eene toeneming vertoonende van f 352.0c0, vergeleken met de bruto-opbrengsten van 1918.

Evenwel had ook eene belangrijke stijging plaat.s van de exploitatiekosten, die ruim / 212.000 hooger waren dan in het voorafgaande jaar.

,De toeneming der opbrengst is o.m. te danken aan het herstel van het verkeer van Java met het buitenland, door-' dat in den loop van het jaar g*eleidelijk de door de Geallieerden in 1918 opgevorderde Nederlandsche schepen zijn vrijgelaten en weder in dienst konden worden gesteld voor het vervoer van en naar Java.

Eveneens werden in den loop van het jaar opgeheven verschillende voor den handel belemmerende bepalingen met betrekking tot den in- en uitvoer, zoomede de boycot van de Duitsche handelsinstellingen (de z.g. zwarte lijsten).

Dientengevolge heeft de handel zich ten deele kurmon herstellen en zijn de producten, voor den ;ifvoer waarvan in de jaren 1917 en 1918 geen voldoende scheepsruimte bechiksbaar was, afgevoerd kunnen worden. Dit laatste geldt jn het bijzonder voor de suiker.