is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 40, 1922, no 11, 15-03-1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der gezamenlijke baanlengte (3740 KM.). In de derde plaats komt Brandenburg met 727 KM., waarvan, wel is waar, het overwegende deel, met om en bij' 600 KM. baanlengte, door Groot-Berlijn wordt ingenomen. Volgens de bevolkingsdichtheid en dichtheid van het net staat eveneens de Rijnprovincie, met 1,84 KM. op 10.000 inwoners en 5,21 KM. op 100 vooraan; dan volgt Westfalen met 1,42 KM. per 10.000 inwoners en 3,15 KM. op 100 KM*, en Brandenburg (met Berlijn) komt met 1,16 KM. per 10.000 inwoners en 1,82 KM. per 100 KM*, in de derde plaats.

Geene eigenlijke tramwegen worden gevonden in de Hohenzollernsche landen en de grensstreek Posen-Westpruisen (vóór den afstand in 1918/19 waren er in Posen 3 ondernemingen met 37 KM. en in Westpruisen 4 met 65 KM.). In doorsnede genomen W'as de baanlengte der tramwegen, volgens de bevolkings-dichtheid, 0,99 KM. op 10.000 inwoners en, volgens dichtheid van het net genomen, 1,20 KM. op 100 KM*. Wat de tramwegen met locaalspoorweg-karakter betreft, Staat de provincie Pommeren met 1719 KM., nl. bijna Vs der geheele baanlengte, aan het hoofd, daarna volgen de provinciën Hannover, Brandenburg, Saksen, Rijnprovincie, Silezië, Oostpruisen, Sleeswijk-Holstein enz.

De grensstreek Posen—Westpruisen heeft nog slechts 2 bedrijven met 81 KM. (tegen 13 bedrijven met 849 KM. in Posen en 12 bedrijven met 606 KM. in W.-Pruisen in 1918/19, vóór den afstand). Volgens de dichtheid der bevolking en der netten staan de Hohenzollemsche' landen, met 13,08 KM. op 10.000 inwoners en 8,10 KM. per 100 KM*., aan het hoofd; dan volgt Pommeren met 9,62 KM. per 10.000 inwoners en 5,70 KM. per 100 KM*, en in de derde plaats komt iSleeswijk-Holstem met 4,29 KM. per to.ooo inwoners en 4,17 KM. per 100 KM*.

Op het punt van bevolkingsdichtheid moeten hier Rijnland en Westfalen het laatst genoemd worden, met 1,17 resp. 1,12 KM. per 10.000 inwoners, terwijl Silezië en de grensstreek Posen-Westpruisen, met 2,15 resp. 1,04 KM. op 100 KM*., het tramwegnet met de wijdste mazen doen zien. De gemiddelde cijfers der locaalspoortramwegen waren 2,41 KM. op to.ooo inwoners en 3,07 KM. per 100 KM*. Van belang is o.ok de indeeling der tramwegen volgens de spoorwijdte, aangegeven door Tabel V.

Tabel V. Spoorwijdte der Pruisische tramwegen. (ig]9/’2o)

Bij de stadstramwegen wegen het normaalspoor en de spoorwijdte, beide met ongeveer 50 pCt., tegen elkaar op, wanneer in aanmerking wordt genomen dat, van deze tramwegen met gemengde en afwijkende spoorwijdte, het meerendeel normaalspoorwijdte heeft. Spoorwijdten van 0,750 en 0,600 M. komen bij stadstramwegen nagenoeg niet voor; slechts bij 21 KM. baanlengte, op een totaal van 3858 KM. Van de locaalspoor-tramwegen hebben meer dan de helft normaalspoorwijdte; daarentegen vervult hier een smal spoor van 0,750 M. met dat van i,ooo M., een bijzondere rol, aangezien deze spoorwijdten, wegens de geringe aanlegkosten, voor plattelandstramwegen met stoomkracht zeer geschikt zijn.

StHrist ram wegren. Locaal.cp trainw» gen Aantal bedrijven in »/o Aantal bedrijven in »/o Maatschappijen Gemeenf elijk beheer (gemeenten en groepen v. 87(101) 48 211 (221) 68 gemeenten) Particuliere lichamen 90(98) 49 97 (110) 31 (van anderen aard).. 6(6) 3 3(3) 1 Totaal.... 183(205) 100 »/o 311(334) 100 »/o

Wat den aard der drijfkracht aangaat, blijkt uit label 111, dat bij de stadstrams electrische drijfkracht ver in de meerderheid is (97 pCt.), terwijl bij locaalspoortramwegen, behalve het meest voorkomende stoombedrijf

(92,2 pCt.), ook electrische drijfkracht geleidelijk werd ingevoerd en wel bij 32 lijnen met 574 KM. baanlengte uitsluitend en bij 8 lijnen met 173 KM. baanlengte in verbinding met stoombedrijf. Al is electrische drijfkracht bij de locaalspoor-tramwegen dus nog betrekkelijk zeldzaam, toch kan een vooruitgang bij vorige jaren worden opgemerkt en men mag verwachten dat, ook bij deze soort van tramwegen, electrische drijfkracht meer en meer toepassing zal vinden, naarmate de overland centrales hun net uitbreiden.

Tabel VI geeft bijzonderheden aan betreffende den eigendom en den aard der onderneming bij detramwegen.

Tabel VI. Aard der onderneming. (igigj’2o.)

N.B. De getallen tusschen haakjes gelden voor het vorige jaar (1918/19).

Meer dan de helft bevonden zich in handen van maatschappijen en particulieren en wel, bij de stadstramwegen 93 bedrijven =5l pCt.; bij de locaalspoohtramwegen 214 = Ó9 pCt.; in ’t geheel 307 bedragen =62 pCt. van het geheele aantal, terwijl 187 bedrijven = 38 pCt. aan gemeentegroepen (steden en „Kreise”) toebehoorden. Terwijl valt te constateeren, dat er in den laatsten tijd meer tramwegen door de gemeenten zijn overgenomen, moet men in twijfel geraken, of dit wel een zegen voor die tramwegen is, aangezien door den tegenwoordigen politieken toestand, er helaas geen verbetering der economische voordeelen mede gepaard gaat, en veeleer de uit den algemeenen achteruitgang der volkshuishouding voortvloeiende nadeelen door den socialiseeringsdrang nog grooter worden.

Spoor wijdte in Meters Stadstram wegen. LocaalspooT tramwegen. Aantal bedrijven KM. »/o Aantal bedrijven KM. »/o 1,435 70 1662 43,1 204 4798 50,5 1,000 104 1846 47,8 40 1411 14,8 0,750 1 6 0 2 38 1599 16,8 0,600 1 15 0,4 3 158 1,7 gemergd 3 110 2,8 18 1419 14,9 afwijkend 4 219 5,7 8 125 1,3 Totaal.... 183 3858 100 »/o 311 9510 100 "/o

Ten slotte kan men uit Tabel 1 zien, hoe het aanlegkapitaal verdeeld is nl. welk geldelijk aandeel de .Staat, de provinciën, „Kreise”, en gemeenten daarin hebben.. Terwijl, bij stadstramwegen het particulier kapitaal, met 845 millioen M. = 73 pCt. van het geheele aanlegkapitaal (= 1.157 milliard Mark), de overhand heeft, is bij de locaalspoor-tramwegen de verhouding bijna juist omgekeerd; daar, van 705 millioen Mark aanlegkapitaal, 467 millioen of 67 pCt., uit openbare n.iddelen voorkomt en slechts 233 millioen M. = 33 pCt. aan particulier kapitaal ontleend is.

In het geheel komen, van 1,863 milliard Mark van het geheele in Pruisische tramwegen gestoken kapitaal, uit particuliere middelen: circa 58 pCt., met 1,078 milliard, en 42 pCt., met 784 millioen Mark uit openbare middelen, waarvan aan den éénen kant de gemeenten, aan den anderen kant de Rijks-bestuurslichamen (Staat, Provincie en „Kreis”), ieder ongeveer de helft, hebben verstrekt. ‘ (D. S. u. K. Z.)

Electrische locomotieven voor Goederentreinen.

Het bestuur van de Oostenrijksche Staatsspoorwegen heeft aan de Oostenrijksche „Siemens Schuckert Werke” twaalf E-locomotieven besteld. De onderleverancier voor het mechanische gedeelte is de locomotieffabriek „Krausz & Co.” te Linz.

Van de ontworpen locomotieven, waarbij vijf gekoppelde assen met 145 cM. middellijnen der wielen, moeten de drie middelste vast ondersteund zijn en gedreven worden door tandradmotors met overbrenging van i : 6,3. De beide emdassen verkrijgen zij verschuiving; terwijl de wielen van