is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 42, 1924, no 5, 30-01-1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 3

Ifaar waar de beide spoorstaven bij uitvoering van werken van wijziging of uitbreiding op den berm van verharde wegen komen te liggen en wel op een afstand van minder dan 0.70 M. uit den kant der verharding, moet de strook tusschen de verharding en de meest nabijgelegen spoorstaaf door en op kosten der concessionarisse worden verhard.

Art. 4

I®. Waar voor den aanleg van den tramweg bestratingen moeten worden opgebroken of uitgebreid, geschiedt de herbestrating met uitkomend materiaal, voor zoover daartoe geschikt, en voorts bij deze en de nieuwe bestrating met nieuwe keien of klinkers, van geen mindere soort dan de aanwezige, in een 0.25 M. dik bed van zuiver zand.

2®. Indien voor het leggen van spoorstaven verandering noodig is van het dwarsprofiel der bestrating of andere kunstbedekking van den weg, moet deze over de geheele breedte van den weg plaats hebben met geleidelijke aansluiting aan de blijvende gedeelten.

3®. Waar de spoorbanen wegen kruisen en met het bovenvlak der spoorstaven daar boven of daar beneden gelegen zijn, moet de concessionarisse den overgang door bekwame op- en afritten, ten genoegen van den beheerder van den weg, herstellen.

Art. 5

I®. De grondspecie, welke bij de uitvoering van werken van wijziging of uitbreiding van den tramweg op de wegen en voetpaden beschikbaar komt, moet volgens aanwijzing van den beheerder van den weg gebezigd worden tot het bewerken van goede aansluitingen tusschen den spoorbaan en den weg en tot het maken van behoorlijke tramwegkruisingen, of indien de specie daarvoor niet noodig is, buiten den weg worden gevoerd.

2®. Voor zooveel noodig worden de scheringen, lantaarn-, kilometer-, schamp-, scheidings- of andere palen, zoomede langs de wegen aanwezige onderhoudsmaterialen, door de concessionarisse tot genoegen van den beheerder van den weg opgeruimd en verplaatst.

3®. In de vervanging van door den tramwegaanleg vervallen of onbruikbaar geworden bergplaatsen voor onderhoudsmaterialen voor de wegen moet door de concessionarisse tot genoegen van den beheerder van den weg voorzien worden.

Art- 6.

I®. Het bovenvlak der spoorstaven en wissels wordt gelijk gelegd met de aansluitende rijbaan der kunstwegen, zoodat geen hinder aan het verkeer over die wegen wordt toegebracht.

2®. De concessionarisse is verplicht bij kruising van bestaande openbare wegen, alsmede ten dienste van bestaande uit- en andere wegen, in die gevallen waar Gedeputeerde Staten dit noodig oordeelen kei- of klinkerbestratingen te leggen, te onderhouden en zoo noodig te vernieuwen in rechthoekige vakken, waarvan de twee zijden in de strekking van den weg reiken tot ten minste 0.75 M. buiten de spoorstaven, verkrijgende deze bestratingen haaks op den weg ten minste een lengte voor openbare wegen van 5 M., voor andere wegen en uitgangen voor landerijen van 3 M. en voor uitgangen van woningen en voor voetpaden van 1 M.

3®. Nieuwe wegkruisingen en uit- en andere wegen worden door de concessionarisse op dezelfde wijze behandeld als onder 2®. vermeld, doch op kosten van den aanvrager, behoudens het bepaalde in art. 2c voor zooveel betreft openbare wegen.

De concessionarisse is bevoegd, gelijktijdig met de voldoening van de kosten van aanleg, voor onderhoud en vernieuwing van andere dan openbare wegen een afkoopsom te vragen, welke de aanlegkosten niet mag overschrijden.

4». Bij verbetering van den in dit besluit onder I bedoelden weg is de concessionarisse verplicht de daartoe vereischte werkzaamheden toe te laten. s®. In wegkruisingen worden in die gevallen waar Gedeputeerde Staten dit noodig oordeelen de spoorstaven, met houten keerbalken, contrarails of latten daarlangs aan de binnenzijde bevestigd op tegen bederf bereide houten dwarsliggers, met gebruikmaking van straatstoelen.

6®. De aanleg van den tramweg heeft overigens, voor zooveel door de vorenstaande bepalingen daarin geen wijziging noodig is, geheel plaats, wat ligging, inrichting en constructie betreft, overeenkomstig de door de concessionarisse overgelegde gewaarmerkte teekeningen en voorts behoudens goedkeuring door den Minister van Waterstaat volgens de nader aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten te onderwerpen detailsituaties.

Art. 7.

Indien omtrent de uitvoering der in deze vergunning bedoelde werken verschil ontstaat tusschen de concessionarisse, den beheerder van den weg, vergunninghouders of andere bij die werken belanghebbenden, wordt dat geschil aan de beslissing van Gedeputeerde Staten onderworpen. Hun uitspraak is voor partijen bindend.

Art. 8

Ingeval van naasting van den tramweg door den Staat of ingeval de exploitatie van den tramweg wordt opgedragen aan anderen, gaan alle rechten, uit deze vergunning voortvloeiende, op den Staat of den nieuwen exploitant over, mits deze de aan de concessionarisse opgelegde verplichtingen overneemt.

Art. 9.

I®. De ambtenaren van den provincialen waterstaat houden toezicht op de goede naleving van de gestelde voorwaarden en van de wet van 15 December 1917 (Staatsblad 703) ; zij hebben daartoe te allen tijde toegang tot de werken.

2®. De concessionarisse stelt ter beschikking van Gedeputeerde Staten drie exemplaren van alle teekeningen en verdere bescheiden omtrent den aanleg van den tramweg voor zoover deze zullen worden aangelegd op de hiervoren sub I genoemde wegen.

30. De concessionarisse geeft tijdig schriftelijk en vrachtvrij aan den hoofdingenieur van den provincialen waterstaat in Friesland kennis, wanneer met de uitvoering zal worden aangevangen.

En zal deze beschikking worden aangekondigd in het Provinciaal blad en medegedeeld aan de concessionarisse, de commissarissen over genoemden macadamweg, burgemeester en wethouders van Sneek en den Minister van Waterstaat, door toezending van een exemplaar van dat blad. Deeuwarden, 24 October 1923.

De Gedeputeerde Staten voornoemd, P. A. V. van HARINXMA thoe SDOOTEN,

V oorziter.

C. B. MENADDA, Griffier.

Uitgegeven den eersten November 1923.

De Griffier der Staten van Friesland, C. B. MENADDA.