is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1947, 01-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schapenhouderij hebben bevorderd. En juist de enige kloosters, die Drente heeft gehad, Assen en Ruinen-Dikninge, waren van de Cistercienser orde; ze zijn respectievelijk gesticht ± 1240 en ± 1140. Door beide, doch vooral door Dikninge, is de economische bloei van Drente zeer bevorderd.

De eerste sporen van schapenteelt 111 de Landschap dateren van na de stichting van 't Ruiner klooster, zodat er misschien verband bestaat tussen beide. En evenzeer is het mogelijk dat de kloosterlingen hier de bemesting hebben ingevoerd; al zijn sporen daarvan in Drente ontdekt door de archaeologie, dat bewijst niet dat de middeleeuwse Drent zich daarmee bezighield. De Ommelander Fries, die vooral gerst en bonen verbouwde12), bemestte het land stellig niet, daar hij de mest van zijn vee gebruikte om gaten en waterlopen te dempen : zo heeft men o.a. bij 't klooster Wittewierum de oude Fivel langzamerhand doen verdwijnen 13); ook heeft men er vrij geregeld de terpen mee opgehoogd.

Plaggen zonder meer als mest lijken me weinig waard; ze verteren zonder dierlijke mest ook vrij moeilijk in de doorgaans nogal droge esgrond. Zeer waarschijnlijk hebben de Cistercienser monniken dus én het schaap én de plaggenbemesting ingevoerd, in elk geval: verbeterd.

Oudere gegevens over plaggen hebben we niet dan die uit de markerechten van Roden van 1495 14). Art. 6 luidt: ..Item soe sal nemant soden steken oft meyen, meer dan he up zijn tymmer behoevet Art. 17: „Mem daer sal nemant grasplagghen meyen in den slette off up dat Broeck

Nu zijn ,soden' in Drente altijd gebruikt als brandstof 15) ; het 2de lid van art. 6 komt daarmee overeen; grasplaggen deden vooral dienst als Jioesplaggen', d.i. ter afdekking van bijenkorven, enz., dus als isolatie-materiaal.

Beperking van het zoden steken stond in verband met de rechten op de mandelige markegronden : niemand mocht daarvan meer trekken dan een andere gelijkberechtigde. Op bescherming der schapenteelt wijst dit artikel niet: afgeplagde heide gaf juist na enige tijd prachtige schapenweide.

De genoemde markerechten kennen ook de schapenhouderij ; art. 8 toch luidt: ,,Item die buren sint verdraghen, dat nemant meer sall kolden dan XXV olde schapen nae datum desses willekoers in Roder mareke

Anloo bepaalt het in 1610 op 40 per vol waardeel, in 1669 op 52, een aantal, dat nog gold in 1726 16) ; Ruinen stelde het in 1561 vast op 60 17), Westerbork in 1657 op 100 18).

12) Emo en Menco, pag. 78, 86.

13) Idem, pag. 173.

14) Versl. en Meded. Bronnen Oud-Vaderl. Recht, dl. VI, No. 1, pag. 59 e.v..

15) Edelman, t.a.p. 10, pag. 70, 71.

16) Idem, pag. 29, 35, 39.

17) Idem, pag. 71. 18) Idem, pag. 96.