is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1862, 01-01-1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hunne vaderen overgenomen, onverzwakt hebben bewaard.

Die volkomen vrijheid der baptiste gemeenten is mede daarin blijkbaar, dat hare leeraars niet, zoo als in de Engelsche Staatskerk, gehouden zijn eene geschreven geloofsbelijdenis te onderteekenen, waardoor zij zich verbinden in hunne Evangelieprediking er niet van al te wijken. liet schijnt niet noodig te zijn do boven aangehaalde belijdenissen, hoewel nog altoos in eere gehouden als de uitdrukking van het gemeene geloof, door ouderteekening te erkennen; dit geschiedt althans niet bij de aanneming van ledematen. Deze worden over 't geheel gerekend in te stemmen met de leer van de bijzondere genade, of met de bekende vijf artikelen van het Calvinisme, die hier te lande in de vroegere geschillen tusschen Gereformeerden en Remonstranten zoo zeer op den voorgrond stonden. « Onregtzinnigheid is onder ons een zeldzaam verschijnsel. Onze vrijheid zelve is de beste waarborg voor de zuiverheid van ons geloof," zegt de lieer Jones.

Wij Doopsgezinden kunnen hem deze veelbeteekenende verklaring nazeggen, en wel in ruimer ziu. Onregtzinnigheid is voor ons niet, even als voor de Baptisten, enkel afwijking van een zeker aantal dogmatische artikelen — zulk een maatstaf voor de regtzinnigheid des geloofs is gelukkig niet langer geldig — neen, wij schromen niet haar uit te strekken tot de geheele waarheid, zoo als die in den persoon en de uitspraken des Heeren en in die zijner Apostelen is begrepen, en nogtans durf ik vragen of liet van aanmatiging getuigt, als ook wij verklaren: //Onregtzinnigheid is onder ons zeldzaam. Gaarne erken ik, dat