is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

organisatie in werking, ter herinnering werd als districtszegel dat van Hollsenderby gekozen.

Zeer geleidelijk kwam nu ook aan de twisten met de buren een einde. Een bron van oneenigheid was bv. steeds het gebruik der gemeenschappelijke weidegebieden geweest. In 1783 was wel een verdeeling tot stand gekomen, maar het duurde tot 1821 alvorens de juiste grenzen waren vastgesteld. Van de 2450 Tdr. land, welke het Hollandsche dorp waren toegezegd, behield het 1800 Tdr., dat is ruim 900 ha, terwijl het de overige gronden deels voor den aanleg van een bosch, Kongelunden, bestemde, deels aan Dragor afstond, of liever verkocht. Tevens werd nu het gemeenschappelijke gebied onder de rechthebbenden verdeeld en daarbij gelijktijdig een ruilverkaveling tot stand gebracht om de eerder genoemde dwergperceelen tot grootere en daardoor meer waardevolle stukken te vereenigen.

De economische opbloei van het eiland werd hierdoor zeer bevorderd. Vooral de Hollandsche boeren, die bij de verdeeling wel 5c» ha land meer hadden gekregen dan waarop zij feitelijk recht hadden, konden opnieuw tot welvaart komen, welke welvaart in het begin der 19de eeuw gedurende den strijd van Denemarken met Engeland zeer geleden had.

Naarmate de verdeensching toenam, verbeterde ook de verhouding tot Dragor. Naast het weiderecht was een bijzonder twistpunt met deze plaats het zoogenaamde bergingsrecht. De vele strandingen van schepen maakten dit recht, waarop zoowel de bewoners van Drag0r als van Hollsenderby aanspraak maakten, tot een zeer winstgevend privilegie. Drag0r telde omstreeks 1800 reeds 280 woningen en had toen een vloot van 100 schepen, voor een groot deel in handen van Hollanders van Store Magleby afkomstig. Vrijwel deze geheele vloot werd echter in den genoemden krijg door de Engelschen geroofd of vernield. Toch groeide de vloot weer aan, totdat de stoomvaart er een eind aan maakte. Met de komst der stoomschepen verplaatste of liever centraliseerde het scheepvaartbedrij f zich in Kopenhagen, welks haven zich voor de veel grootere stoomschepen beter leende.

Naast de zeilvaart had echter het bergingsbedrijf de meeste inkomsten gegeven. Door de toenemende scheepvaart geraakten van 1740 tot 1804 niet minder dan 550 schepen aan den grond, waardoor aan bergloon 235 000 rijksdaalders werden ontvangen. In de 19de eeuw zelfs gemiddeld 20000 kronen per jaar! Nog in 1888 hadden er 17 bergingen plaats, daarna namen zij af. Hoewel nog in 1792 de beide predikanten te Store Magleby om een aandeel in de bergingswinst verzochten, slaagde Dragor er in het voor zijn inwoners, haven, school en bestuur te behouden.

Ook het loodswezen maakte een bloeitijd door, om later eveneens af te nemen.

Een laatste punt van ergernis bleef de kerk. De bewoners van Dragor mochten nog in de eerste helft der 19de eeuw hierin eerst plaats nemen als de Hollanders gezeten waren! Hoewel de kerk in 1855 was vergroot, waren er ondanks de jaarlijksche schatting, die K. N. A. G., LV. 4