is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dalen, b.v. II i diep in V en VI, in het Achterste Stepeloosche Veld. Daar'het kanaal ± 3 m diep wordt, zien we in de doorsnede slechts de lagenseries van I 9 II S. Merkwaardig is nu, dat de kryoturbate verschijnselen zich langs beide zijden van deze N.—Z. loopende ingraving, over een afstand van ongeveer 2 km vertoonen, terwijl in 1935 dezelfde verschijnselen bij Wiene werden onderzocht in het bed en de wanden van het Twente-kanaal, dat daar ongeveer W. O. loopt. Ongeveer 5 km verder oostwaarts werden ze ook aangetroffen en wel bii Hengeloo (O.). Voldoende om te doen zien, dat dit geen

Fig. 1. Het gestippelde is de vorstspleet, die gevuld is met zand. 1. gestreepte leem; 2. donkere band; 3. bruin-violette leem; 4. donkere leem; 5. bruin-violette leem; 6. donkere leem; 7. helgroene leem.

>laatselijke veranderingen n den bodem zijn, maar dat k regionaal voorkomen. Dit bleek dezen zomer ook tiet geval te zijn in Apeldoorn, waar, ten behoeve ^an rioleeringswerken, talrijke sleuven zijn gegraven, waarvan de wanden de brodels vertoonden.

De profielen bij Hengeloo leerden, dat de bodem aldaar bestaat uit een afwisseling van zanden, die banden vertoonen („Bandersande"), en die vaak gebroken zijn, en leemen, die meestal geplooid zijn. Zie de bijgaande foto's, terwijl de figuren 1 en 2 vorstspleten in zand- en leemlagen van het Rabutzer-bekken weergeven. Zie K e i 1 h a c k, Der Rabutzer Beckenton und das

Alter seiner Hangendschichten in Beziehung zur Ausdehnung des letzten Inlandeises. (Zeitschrift D. geol. Ges. 1921).

Uit de veenlaag, die in Hengeloo op ± 18 m 4" N.A.P. aangetroffen werd, en welke ook gestoord is, werden monsters genomen. Het pollen-analytisch onderzoek wees uit, dat de vorming van dit veen begonnen was in een woudloozen, gematigd-arctischen tijd van het Laatglaciaal, en reeds eindigde vóór de aanwezigheid van bosschen. Het er op liggende, helgele zand zou waarschijnlijk Praebo-

reaal en Boreaal kunnen zijn.

De sterk gestoorde veenlaag bij Wiene bevatte zoo weinig stuifmeelkorrels, dat een pollendiagram niet was op te maken. Wel vond men. dat naast enkele stuifmeelkorrels van wilg, berk en den, een 20- tot 30-maal grooter aantal pollen van Cyperaceeën aanwezig is. Ongeveer 2 m onder deze veenlaag werd een rijke Dryasflora, waarschijnlijk uit het Würmglaciaal, aangetroffen.