is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1938, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tevens zou uit dit staatje volgen, dat in de onderaf deeling Bima relatief meer mannelijke landbouwers, maar minder vrouwelijke landbouwers dan in de onderafdeèling Soembawa voorkomen. Het komt ons voor, dat deze verschillen minder zijn te wijten aan een uiteenloopen in sociale structuur der beide onderafdeelingen, dan wel aan beslissingen van de tellers. Dit blijkt uit de volgende opgave.

Aantal beoefenaars der textielnijverheid in % van alle beroepsbeoefenaars: afdeeling Soembawa 31-8x): onderafdeelmg Bima — i); onderafdeeling Soembawa 24.— !).

In Bima zijn dus relatief meer beoefenaars der textielnijverheid geteld dan in West-Soembawa. Deze beoefenaars zijn echter bijna uitsluitend vrouwelijke gezinsleden van landbouwers. Deze verrichten tevens allerlei landbouwwerkzaamheden, weshalve men ze met evenveel recht tot de vrouwelijke landbouwers kan rekenen. Of de tellers in de onderafdeeling Soembawa meer tot het laatste geneigd zijn geweest, valt niet te bewijzen. Wel volgt uit de voorgaande opgaven, dat in Bima de inheemsche maatschappij vermoedelijk even weinig gedifferentieerd is als in West-Soembawa. Het agrarische b e d r ij t is in de geheele afdeeling Soembawa belangrijker dan uit het cijfer van 54.90 landbouwers op 100 beroepsbeoefenaars zou blijken, ook al omdat de beoefenaars der textielnijverheid voor een deel een product van den inheemschen landbouw verwerken, zoodat deze nijverheid niet los van het landbouwbedrijf gedacht kan worden.

Het is hoofdzakelijk de groote agrarische groep, die het cultuurlandschap in de onderafdeeling heeft geschapen. Daarbij heeft deze groep gebruik gemaakt van de mogelijkheden, die het physisch milieu in verband met het bestaande beschavingspeil bood. Welke zijn nu de hoofdkenmerken van het physisch milieu in de onderafdeeling Bima.

Wie van de beide bladen van de schetskaart van Soembawa naast elkaar legt, wordt onmiddellijk getroffen door het verschil in het verloop der kustlijn tusschen het westelijke en oostelijke gedeelte van het eiland. Terwijl West-Soembawa een tamelijk massieven vorm bezit dringen in Oost-Soembawa niet minder dan zes baaien diep het land in. Deze baaien zetten zich landinwaarts voort, meest in den vorm van breede, vlakke dalen en verderop als laag heuvelland. Bij den overgang uit het stroomgebied van de eene baai in dat van de andere behoeft men niet hooger dan 400 m te stijgen 2). Dientengevolge wordt het bergland van Oost-Soembawa opgelost in een systeem van afzonderlijke bergcomplexen, die van 1000 m tot 1700 m hoog zijn. Een uitzondering dient gemaakt te worden voor den Tambora, die met een hoogte van ± 2850 m het grootste deel van het schiereiland Sanggar inneemt. Hier en daar is het tot de vorming van hoogvlakten gekomen,

1) Volkstelling 1930, V, p. 100.

2) Tusschen de Bima- en de Sapebaai ligt het laagste punt der waterscheiding op ± 350 m hoogte; tusschen de Bima- en de Waworadabaai op — 250 m, tusschen de Saleh- en de Bimabaai op 250 m en tusschen de Salehbaai en de Sanggarbaai op ± 200 m hoogte.